Opinie

Opinie: Dit is waarom de rechter het recht van hoogbegaafde kinderen op ononderbroken ontwikkelingsprocessen moet helpen realiseren

Het onderwijs heeft 120 jaar de kans gehad ‘gelijke onderwijskansen’ voor hoogbegaafde kinderen adequaat te ondervangen. Dit is niet gelukt, dus is het aan de rechter, betoogt emeritus hoogleraar Ton Mooij.

Hoogbegaafde kinderen spelen Kamelenrace, een spel gemaakt door een van hen, tijdens de opening van de tentoonstelling Mijn Eigen Spel in het atrium van het Stadhuis in Leiden. Beeld ANP
Hoogbegaafde kinderen spelen Kamelenrace, een spel gemaakt door een van hen, tijdens de opening van de tentoonstelling Mijn Eigen Spel in het atrium van het Stadhuis in Leiden.Beeld ANP

Recent wordt in de Volkskrant gediscussieerd over onderwijs en hoogbegaafde kinderen. Hoogbegaafdheid zou geen handicap zijn (Astrid Ottenheym), het gaat om de zorgplicht van scholen voor hoogbegaafde kinderen (Katinka Slump), en een rechter zal zich niet uitspreken over hoe zo’n kind ‘passend’ onderwijs krijgt (Corrieke Buist-Veurink en anderen). Het woord is inderdaad aan de rechter, maar waarom gaat het hier eigenlijk?

De discussie over onderwijs en hoogbegaafde kinderen begon al circa 1900. Rond de invoering van de algemene leerplicht betoogden voorstanders van leeftijdgebaseerd onderwijs dat klassikaal instrueren economischer was en in lijn met de algemene gelijkheid van mensen. Voorstanders van individualiserend onderwijs argumenteerden dat gelijkschakeling van leeftijd en psychologische ontwikkeling incorrect is. In elke klas zou dit leiden tot extra schoolproblemen bij zich relatief langzaam en zich relatief snel ontwikkelende ‘risicoleerlingen’. Uiteindelijk kreeg klassikaal leeftijdgebaseerd onderwijs de overhand.

In de jaren ‘20 werden door Ph. Kohnstamm de voorspelde schoolproblemen bij de twee categorieën risicoleerlingen aangetroffen. Er was sprake van samenhangende motivationele, sociale, emotionele, leer- en gedragsproblemen. Deze leidden onder meer tot extra schoolverzuim, zittenblijven, gedwongen onderpresteren en schooluitval. Met behulp van schoolontwikkelingsprojecten werd geprobeerd meer individualiserend onderwijs te realiseren.

Extra schoolproblemen

Na diverse leerplichtverlengingen kwamen in de jaren ‘60 de extra schoolproblemen van de relatief minder ontwikkelde leerlingen scherper in beeld (‘achterstandenbeleid’, ‘speciaal onderwijsbeleid’). In de jaren ‘80 ontstond onderzoeksaandacht voor de schoolproblemen van de aanvankelijk relatief meer ontwikkelde of hoogbegaafde leerlingen. Pas na 2007 (‘excellentiebeleid’ met extra geld) begon een deel van de scholen met een veelal zeer beperkt extra onderwijsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen in de hogere leeftijdsgroepen.

Maar anno 2021 is het leeftijdgebaseerde ‘leerststofjaarsysteem’ veelal nog zoals in 1900: hoogbegaafde leerlingen worden direct bij het begin van de basisschool enkele jaren achteruit gezet in ontwikkelingsniveau, met alle bijkomende problemen en diagnostische verwarringen die soms onbeheersbaar worden. Ook voor het zogenaamde ‘passend onderwijs’.

Volgens de Nederlandse onderwijswetgeving echter dienen alle leerlingen op school ononderbroken ontwikkelingsprocessen te kunnen doorlopen. Velerlei onderzoek bewijst dat deze verplichting de afgelopen 100 jaar niet wordt gerealiseerd (zie ook de jaarlijkse rapportages van de Onderwijsinspectie over ‘De staat van het onderwijs’). De oorzaak hiervan is de reguliere onderwijssystematiek die vanaf het schoolbegin is afgestemd op leeftijdsgroepen leerlingen en niet op hun actuele individuele ontwikkelingsniveaus. De grote middengroep leerlingen is gediend met dit systeem, maar de overige leerlingen lopen direct bij de schoolintrede sterk verhoogde risico’s op een pedagogisch-didactisch blijvend verkeerd aanbod, inclusief inferieure speel-/leerprocessen.

Valkuilen

Analyse van de individuele schoolloopbaan van de relatief minst en relatief meest gevorderde leerlingen toont systeemgebaseerde ‘valkuilen’ die de wettelijk verplichte doorlopende ontwikkeling van deze leerlingen verhinderen. De valkuilen verhelderen ook waarom decennialange onderwijsmaatregelen zoals interne differentiatie, achterstanden- of gelijkekansenbeleid, zittenblijven, versnellen, passend onderwijs, en afstromen naar een lager onderwijstype, geen blijvende effecten kunnen hebben. Desondanks kosten deze ineffectieve maatregelen jaarlijks tenminste 3,5 miljard euro extra. Werken volgens het reguliere leerstofjaarsysteem suggereert wel dat wordt gewerkt aan ‘gelijke onderwijskansen’, maar analyse van de onderzoeksfeiten bewijst dat dit een illusie is. Dit systeem vergroot eerder de ongelijke onderwijskansen van de twee categorieën risicoleerlingen.

Kohnstamm zou verbijsterd zijn over de eeuw aan stilstand in het Nederlandse reguliere onderwijs en de toename van de voorspelbare problemen voor juist de risicoleerlingen. Hij zou zich afvragen waarom wij, in de 21ste eeuw, hen eerst velerlei (extra) problemen bezorgen en pas daarna iets extra’s of iets anders voor hen ondernemen. Er zijn systeemalternatieven om het onderwijs wél optimaliserend voor elke leerling in te richten.

Onderwijs volgens het leerstofjaarsysteem heeft 120 jaar de kans gehad ‘gelijke onderwijskansen’ voor de twee categorieën risicoleerlingen adequaat te ondervangen. Dit is aantoonbaar niet gelukt, en het is eenvoudig te doorzien waarom dit zo ook niet kan. Het woord is nu aan de rechter om het recht van hoogbegaafde kinderen op ononderbroken ontwikkelingsprocessen te (helpen) realiseren.

Ton Mooij was bijzonder hoogleraar aan de OU (Heerlen) en manager en onderwijsonderzoeker in het Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen (Radboud Universiteit, Nijmegen).

Meer over