Opinie

Opinie: Districtenstelsel gaat formatieproblemen echt niet oplossen

Wie met achterhaalde D66-plannen voor een ander kiesstelsel de moeizame kabinetsformatie denkt te kunnen verhelpen, komt van een koude kermis thuis.

Tom van der Meer
Mark Rutte na afloop van zijn gesprek met de informateur over de formatie die zich volgens Hamer in een ‘impasse’ bevindt. Den Haag, 21 juni. Beeld Freek van den Bergh / VK
Mark Rutte na afloop van zijn gesprek met de informateur over de formatie die zich volgens Hamer in een ‘impasse’ bevindt. Den Haag, 21 juni.Beeld Freek van den Bergh / VK

Hans Wansink wil een districtenstelsel invoeren in de Nederlandse politiek, omdat de formatie zo moeizaam verloopt (O&D, 6 augustus). Daarnaast moeten we volgens hem ook de minister-president direct verkiezen. Wansink haalt deze voorstellen uit een 55 jaar oude doos, een pamflet van Hans Gruyters bij de oprichting van D66. Maar hij houdt zich blind voor alle problemen die zijn zogenaamde oplossingen creëren, en die in de tussenliggende halve eeuw uitgebreid zijn besproken door staatscommissies (Cals-Donner, Remkes) en politicologen (veelal in navolging van politicoloog Arend Lijphart). Zelden wordt het kind zo hard met het badwater weggegooid als in de twee voorstellen van Wansink.

Schijnoplossing

Wansink noemt met verwijzing naar Frankrijk en de Verenigde Staten twee redenen waarom een districtenstelsel helpt bij de regeringsvorming. Ten eerste zou dit kiezers meer invloed geven op de regeringsvorming. Dat is zeer de vraag. In de Verenigde Staten is de uitslag van presidentsverkiezingen volgens vooraanstaande kiezersonderzoekers ‘a coin toss’.

Bovendien rust de meerderheid in het parlement er te vaak op een minderheid van de kiezers. Dat politici daar hun verkiezingsbeloften wél echt kunnen nakomen, is al net zo dubieus. Politicologen hebben geen bewijs gevonden dat districtenstelsels effectiever beleid kunnen voeren dan proportionele. Alleen radicale districtenstelsels als het Franse, Amerikaanse of Britse geven kiezers meer invloed op de regeringsvorming. In minder radicale stelsels zou je meerdere volksvertegenwoordigers kunnen aanwijzen in veel grotere districten (Zweden), twee stemmen kunnen uitbrengen (Duitsland) of een alternatieve stem kunnen introduceren (Ierland).

Wansink wijst in zijn betoog niet alleen naar Frankrijk en de VS, maar hint ook op dergelijke gemengde kiesstelsels. Dat is inconsequent, want ook het Zweedse, Duitse en Ierse systeem kennen geen simpele meerderheden en worstelen met het formatieproces.

Kwetsbaarheid

Tegenargumenten ontbreken geheel. Wansink noemt niet dat de Nederlandse democratie in nagenoeg al het wetenschappelijke onderzoek in hoger aanzien staat dan Frankrijk en de Verenigde Staten, door Wansink suggestief ‘volwassen democratieën’ genoemd, omdat zij niet hoeven te formeren. Dat aanzien blijkt bijvoorbeeld uit wereldomspannend onderzoek (Varieties of Democracy).

Maar ook de politieke praktijk is niet opbeurend. Het Franse kiesstelsel schudt op zijn grondvesten: presidentsverkiezingen draaien om de tegenstelling tussen gematigd en extreem. De Verenigde Staten zijn gedevalueerd tot een imperfecte democratie omdat machthebbers uit opportunistisch machtsbehoud er de democratie selectief inperken. De revolte van januari 2021 is een teken aan de wand.

Net zo erg: radicale districtenstelsels vertegenwoordigen burgers slecht. Een districtenstelsel op Franse, Britse, of Amerikaanse leest sluit groepen kiezers uit of houdt hun vertegenwoordiging kunstmatig klein. In 2015 won de Britse United Kingdom Independence Party (UKIP) maar liefst 12,6 procent van de stemmen, maar het kreeg door het kiesstelsel slechts 0,2 procent van de zetels.

Onvrede

Deze stemmen worden dus niet gehoord. Het kiesstelsel dekt de onvrede af, maar neemt die onvrede allerminst weg. Sterker nog, het vertrouwen van kiezers in de politiek is door dit gebrek aan vertegenwoordiging juist lager in Frankrijk, het VK en de VS dan in Nederland. In feite is een districtenstelsel een quotumsysteem dat kiezers dwingt te stemmen op een kandidaat uit de eigen regio, hoewel de meesten daar geen behoefte aan hebben. Toch geeft volgens Wansink juist dat districtenstelsel ‘de persoonlijke wil van de kiezer’ meer betekenis.

Maar de problemen met de door Wansink genoemde Franse en Amerikaanse districtenstelsels zijn nog groter. Het zijn stelsels die redelijk werken als de maatschappelijke tegenstellingen beperkt zijn. Maar wanneer die toenemen, vergroot het kiesstelsel die juist uit.

De onwerkbare polarisatie in de Verenigde Staten mag geen verrassing heten. Door deze kiesstelsels komt de politieke meerderheid in handen van een maatschappelijke minderheid. Dat kan de democratie bedreigen. Want zonder coalitiepartners wordt het wel heel makkelijk om de democratie naar de eigen hand te zetten met trucjes als kiezersonderdrukking of gerrymandering, zeker als de polarisatie toch al hoog is.

Patstelling

De direct gekozen minister-president klinkt op het eerste gezicht als een sympathieke manier om kiezers meer invloed te geven op de regeringsvorming. Maar dit zou het Nederlandse systeem fundamenteel veranderen. Als de minister-president net als de Tweede Kamer een direct kiezersmandaat heeft, wordt de vertrouwensregel tussen beide (het hart van ons parlementaire stelsel) bij het grofvuil gezet.

De facto verandert Nederland dan in een quasi-presidentieel stelsel. Omdat het ondenkbaar is dat de direct gekozen premier zich door het parlement naar huis laat sturen, ontstaat een patstelling. Rond de eeuwwisseling heeft Israël precies dit model uitgeprobeerd. Het land wist niet hoe snel het van dit model moest terugkomen.

Betere alternatieven

De twee voorstellen van Wansink proberen serieuze problemen in partijpolitiek gedrag op te lossen via het paardemiddel van de instituties. Het ene voorstel perkt de vertegenwoordiging van kiezers radicaal in. Het andere verzwakt de positie van het parlement op fundamentele wijze. Wansink grijpt terug naar 55 jaar oude suggesties. Hij had ook kunnen kijken naar het veel recentere rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel (2018), die deze suggesties ook daadwerkelijk heeft getoetst.

Tom van der Meer is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, en was lid van de Staatscommissie Parlementair Stelsel.

Meer over