OpinieBiologisch boeren

Opinie: boeren hebben alleen nog een reëel verdienmodel als ze overgaan tot megaproductie

Maar biologische hekkensluiter Nederland doet er weinig aan, betogen Mohammed Chahim en Evelyn Hijink.

Steeds minder boeren wagen de sprong naar biologische landbouw.  Beeld Katja Poelwijk
Steeds minder boeren wagen de sprong naar biologische landbouw.Beeld Katja Poelwijk

De Europese Unie beslist dit voorjaar hoe ze 400 miljard landbouwsubsidies verdeelt de komende zeven jaar. Al sinds 1962 gaat deze steun vrijwel uitsluitend naar grote boerenbedrijven, volgens een gedateerd systeem dat haaks staat op de doelstellingen van de Europese Green Deal. Het verwerpelijke van dit systeem is dat de grootste ontvangers uit deze subsidiepot vaak multinationals of oligarchen zijn, zoals de premier van Tsjechië, Andrej Babis. Hij ontvangt elk jaar tientallen miljoenen euro’s zonder één stap in de modder te zetten.

Ook in Nederland geldt nog altijd: hoe groter je veld, hoe meer productie je draait, des te hoger je subsidie. Niet voor niets steeg de gemiddelde schaalgrootte van veehouderijen de afgelopen twintig jaar van 56,6 koeien naar bijna 100 nu. Want hectaren en opbrengsten tellen, niet de wijze van beheer. Dat is een perverse prikkel dus: boeren hebben alleen nog een reëel verdienmodel als ze overgaan tot megaproductie.

Uit recente Skal-cijfers blijkt dat steeds minder boeren de sprong naar biologische landbouw wagen. In 2020 waren dat er 20 procent minder dan in het jaar ervoor. Logisch, wanneer de EU vooral inkomenssteun blijft geven aan de grootschalige, intensieve veeteelt – die de steun het minst nodig heeft – in plaats van aan biologische boeren. Slechts 20 procent van de subsidie gaat volgens de laatste plannen naar ‘ecologische’ landbouw.

Dat moet anders, zeker als je bedenkt dat de reikwijdte van de voorwaarden waaronder de subsidies worden verstrekt gelden voor zeven jaar. Tijd die gebruikt zou moeten worden voor van de overgang naar duurzame landbouw, zoals de – eveneens Europese – Green Deal voorschrijft. Overheden moeten volgens deze deal biodiversiteit en bodemkwaliteit verbeteren en de stikstofuitstoot omlaag brengen.

Met dit subsidiesysteem zal dit niet lukken. Voor uitvoerende overheden als provincies wordt het dweilen met de kraan open. Zij kunnen niet bijdragen aan de klimaatdoelen als tegelijkertijd schaalvergroting via Europese subsidies wordt gestimuleerd. Het is veel logischer die 400 miljard euro – eenderde van de totale EU-begroting – in te zetten voor lokale, duurzame voedselproductie, in lijn met de Green Deal. In Duitsland is dit wél begrepen. De gezamenlijke landbouwministers van de Duitse deelstaten hebben de Europese Commissie vorige maand dringend verzocht voet bij stuk te houden in de vergroening van het Europees landbouwbeleid.

De Nederlandse provincies, voor een groot deel verantwoordelijk voor de uitvoering, zouden net als de deelstaten hun stem moeten laten horen. Want van demissionair minister Carola Schouten, die voor Nederland onderhandelt met het Europees Parlement over de voorwaarden waaronder de subsidies worden verstrekt, is weinig te verwachten. Waar het kabinet eerder nog streefde naar 25 procent biologische landbouw in Europa, ging Schouten met haar Europese collega’s akkoord met subsidievoorwaarden waarin die 25 procent niet meer voorkomt. Pikant is dat de Europese Commissie Nederland recent liet weten te verwachten dat de doelen uit de Green Deal worden meegenomen bij de toekenning van de landbouwsubsidies, en dus ook hier worden toegepast.

Sowieso is het nog een lange weg: in Nederland is 3,2 procent van de landbouw biologisch, ver onder het Europees gemiddelde. Nog zeven jaar wachten en blijven sturen op schaalvergroting is geen optie. We moeten nu inzetten op duurzame landbouw. De landbouwsubsidies bieden daarvoor bij uitstek het instrumentarium.

Mohammed Chahim is Europarlementariër (PvdA) en Evelyn Hijink is Statenlid voor Zuid-Holland (PvdA).

Meer over