opiniekunsten van de redenaar

Opinie: Als geen ander weet Rutte te goochelen met woorden

Hoe taal onze mening kan beïnvloeden, laat Rutte steeds weer zien bij zijn persconferenties, betoogt Jona van Loenen. Wie de vorm beheerst, is de inhoud meester.

Premier Mark Rutte tijdens het plenair debat in de Tweede Kamer over de ontwikkelingen rondom het coronavirus.  Beeld ANP
Premier Mark Rutte tijdens het plenair debat in de Tweede Kamer over de ontwikkelingen rondom het coronavirus.Beeld ANP

Het was de zoveelste persconferentie. Maar in plaats van dinsdag om zeven uur ’s avonds, was het vrijdag om kwart over twee in de middag. In plaats van met Hugo aan zijn zijde, stond hij er alleen voor. En in plaats van de op te leggen maatregelen, sprak hij over het af te treden kabinet. Een kabinet dat niet aan de ‘eigen hoge normen’ had voldaan en daarom ‘de meest vergaande’ conclusie moest trekken. En de ‘radicale stap’ nam om de stukken die ten grondslag liggen aan het kabinetsbesluit voortaan openbaar te maken.

Het zijn de kunsten van de redenaar, die premier Mark Rutte vorig jaar ook al toepaste. Op 23 maart 2020. Toen hij als alternatief voor de volledige lockdown die als dom werd bestempeld, plots kwam met een slim alternatief. Met één woord snoerde hij iedereen de mond. Want hoe kan je als weldenkend mens nu tegen een intelligente lockdown zijn?

Het is de kracht van een frame. Waarbij het de kunst is dat een deel verborgen blijft, terwijl een ander deel bewust naar voren wordt gebracht. Om zo de luisteraar naar een andere interpretatie van dezelfde werkelijkheid te leiden. Zo kun je het publiek meenemen dat jij de meest vergaande conclusie hebt getrokken, terwijl Eric Wiebes, die als enige minister niet terugkeert in het demissionaire kabinet, bewees dat het echt nog wel een stap verder kon. Hoe je de stap naar openheid van zaken, die jarenlang bewust geblokkeerd is, plotseling ‘radicaal’ kan laten lijken. Hoe een ellendige lockdown ineens intelligent blijkt te zijn. Zo kan een goed geplaatst frame de maatschappelijke consensus sturen.

Wankel

Er zijn talloze voorbeelden van. Situaties waarin enkel een nieuw woord het maatschappelijke debat deed kantelen, waardoor de tegenpartij plots wankel kwam te staan. Zoals in 2004, in de VS. Zo kregen de Republikeinen een enorme belastingverlaging erdoor, namelijk door deze niet een belastinghervorming te noemen, maar tax relief. Het verschoof de bewijslast in één klap naar de Democraten, doordat het beeld werd gevormd dat die al die tijd het probleem hadden geschapen van een te hoge belastingdruk. En de Republikeinen waren de verlossers.

Op eenzelfde manier kwam in Amerika de groep die strijdt tegen abortus met een nieuwe term voor de verwerping ervan. Niet meer tegen abortus, maar pro life. Waarbij de voorstanders van abortus logischerwijs tégen het leven waren. Het is het venijnige van een frame: een aanval erop zal het alleen maar versterken. Je kan het daarom of negeren of zelf een reframe plaatsen. De voorstanders van het recht op abortus deden het laatste. Ze waren niet tegen het leven, maar voor individuele keuzevrijheid. Pro choice. Daarmee handelden ze als een keeper die een ogenschijnlijk onhoudbare bal uit de rechterbovenhoek plukt: de perfecte redding.

Ondanks dit succes, had je wel door dat hier sprake was van framing van het debat. Maar de echte kunst zit ’m in het plaatsen van een frame zónder dat mensen het doorhebben. Want daar, in die verborgenheid, ligt de echte kracht. We kunnen een voorbeeld nemen aan de financiële sector. Zeker sinds 2008. Het begon allemaal met de term too big to fail. Een frame dat de bewijslast perfect wist om te draaien. Alles wat te groot is en daarom niet mag omvallen, is immers niet te groot om te falen, maar te groot om überhaupt te bestaan. Too big to exist zou een betere term zijn.

Verdrinkingsdood

Het waren dezelfde banken die we vervolgens moesten redden, als een onschuldig kind van de verdrinkingsdood. Terwijl wij simpelweg de schulden hebben overgenomen van iets wat failliet was. Om de daaruit voortvloeiende crisis op te lossen door krankzinnige hoeveelheden geld bij te drukken. Iets wat we niet eindeloze geldcreatie, maar ‘quantitative easing’ zijn gaan noemen. Een versoepeling, en dan ook nog eens kwantitatief. Moeilijk om daar tegen te zijn. Mocht het zo zijn dat bankiers die frames bedacht hebben, dan begrijp ik die bonussen wel.

Maar het meest gebruikte frame is wel de term ‘bubbel’. Voor dotcom in 2000. Voor vastgoed in 2008. En de schuldenbubbel van nu. Iets wat zo onschuldig klinkt, terwijl het gevaar gigantisch is. Een ‘huizenluchtbel’ is in feite een ‘huizentumor’. Het is kwaadaardig, groeit ongeremd door en kent zonder behandeling vaak een dodelijke afloop.

Het is de kracht, maar ook het gevaar van taal. Want het zijn de woorden, die ons ervan weerhouden om te zien wat zich daadwerkelijk afspeelt. Het is wat Rutte van zijn politieke voorganger heeft geleerd. Het is immers precies zoals Frits Bolkestein ooit al zei: wie de vorm beheerst, is de inhoud meester.

Jona van Loenen is hoofd research bij een fintechonderneming.

Meer over