OPINIE

Opinie: Afstoten van Paleis Soestdijk door het Rijk is een grote vergissing geweest

Vier jaar geleden kocht projectontwikkelaar MeyerBergman Paleis Soestdijk. Het is het zoveelste schrijnende voorbeeld van falende marktwerking in de vanouds publieke sector, in dit geval de zorg voor erfgoed, betoogt hoogleraar Hanneke Ronnes.

Eigenaar Maya Meijer-Bergmans voor Paleis Soestdijk.  Beeld ANP
Eigenaar Maya Meijer-Bergmans voor Paleis Soestdijk.Beeld ANP

Sinds de verkoop van Paleis Soestdijk door het Rijk aan een projectontwikkelaar, verschijnen met enige regelmaat artikelen over de gevolgen van de transactie. Een jaar geleden besteedde de Volkskrant aandacht aan de zorgen van de prinsessen Margriet en Irene over het verdwijnen van een deel van het oude bos van Soestdijk ten behoeve van woningbouw (‘Ook prinses Irene wil het Borrebos behouden bij de renovatie van Soestdijk’, 15 juli, 2020).

De prinsessen kan geen valse nostalgie worden verweten: vanuit zowel de monumentenzorg als de ‘bossenstrategie’ van de rijksoverheid is de bouw van flats ten koste van een

paleisbos op zijn best eigenaardig te noemen. Een maand geleden publiceerde NRC Handelsblad een reconstructie van de chaos die inmiddels heerst.

Projectontwikkelaar MeyerBergman kocht het paleis vier jaar geleden met het idee dat grootschalige woningbouw, een hotel en de organisatie van festivals de restauratie zou bekostigen. MeyerBergman stuitte echter al snel op grootschalig verzet van omwonenden en erfgoedspecialisten. Tegenwerking kwam er ook uit onverwachte hoek. Daar waar het Rijk de plannen van MeyerBergman goedkeurde, deden de gemeente en provincie dat op basis van de eigen regelgeving uiteindelijk niet.

De projectontwikkelaar mikte op 65 villa’s op 6 hectare in het park van Soestdijk, wat na de eerste consternatie werd teruggebracht tot tien appartementencomplexen op 3 hectaren. Begin dit jaar beloofde MeyerBergman, na een nieuwe golf van kritiek en juridisch getouwtrek, nogmaals terug te gaan naar de tekentafel.

Chagrijn

De mogelijkheid dat het toenemend chagrijn van de projectontwikkelaar leidt tot het doorverkopen van Soestdijk en de opsplitsing van het ensemble, is niet ondenkbeeldig. Mogelijk is de schade aan het paleis, de tuin en het bos dan nog veel groter.

De toestand rond Paleis Soestdijk staat niet op zichzelf. Het is het zoveelste schrijnende voorbeeld van falende marktwerking in de vanouds publieke sector, in dit geval de zorg voor erfgoed. De projectontwikkelaar, overheden, klankbordgroepen en omwonenden van Soestdijk zijn inmiddels verwikkeld in een onontwarbare gordiaanse knoop, ontstaan door het onzalige idee van het Rijk om topmonumenten in eigen bezit te verkopen.

Daar waar de Vlaamse overheid op dit moment weer actief bijzondere monumentale gebouwen aankoopt om ze te beschermen tegen vastgoedbeheerders en projectontwikkelaars, besloot Rutte I tot een gigantische afstootoperatie van historische grafmonumenten, herdenkingsnaalden, kerken, gevangenissen, bunkers en kastelen. Gelijktijdig met de grote bezuinigen op de kunstensector en de verzelfstandiging van rijksmusea, werd de afdeling Monumenten binnen de Rijksgebouwendienst opgeheven. De zorgtaak voor de resterende monumenten werd samen met de Rijksschoonmaakdienst en andere facilitaire diensten, ondergebracht bij het nieuwe ‘Rijksvastgoedbedrijf’.

Maar een klein deel van het afgestoten nationale erfgoed kwam via een speciale Tweede Kamerbehandeling bij de ijlings opgerichte particuliere ‘Nationale Monumenten Organisaties’ terecht. De rest is overgeleverd aan de markt.

Rendabel

Oude, kwetsbare gebouwen zijn voor de nieuwe eigenaren echter alleen rendabel als de museale of andere publieke functie wordt verruild voor een commerciële, en (delen van) de gebouwen en interieurs worden gesloopt of volgebouwd. Zo zijn de grote, prachtige opslagruimten van het 17de-eeuwse wapendepot van Holland in Delft (het Armamentarium), voorheen museumzalen, sinds kort volgebouwd met hotel- en horecavoorzieningen.

De iconische kern van de collectie monumenten in rijksbezit (de Ruïne van Brederode, de Sassenpoort in Zwolle, de Naald van Rijswijk, de Grote Kerk van Veere, et cetera) is tweehonderd jaar geleden toevertrouwd aan het Rijk. Twee eeuwen lang was het niet meer dan normaal dat er historische gebouwen bestaan die de moeite van het bewaren waard zijn en waar de staat zorg voor draagt.

Het waren de Franse bezetters die in 1795 de kunst, inboedels en gebouwen van de Oranjes aan het Bataafse volk schonken. Toen de Oranjes in 1813 terugkeerden, bleven deze goederen in het bezit van de Staat, met uitzondering van Soestdijk dat als dank voor de heldenrol van de prins in Waterloo aan de koninklijke familie werd teruggegeven. In de eeuwen daarna professionaliseerde het monumentenbeleid en werd de collectie uitgebreid met objecten als het Gotische Huis in Kampen en de vesting Naarden. Tot Rutte I dus. Het Rijk trok toen resoluut zijn handen af van de zorgplicht voor monumenten die in de ons omringende landen vanzelfsprekend is. Objecten als de recent leeggekomen bunker van Seyss-Inquart zouden tot voor kort aan de rijkscollectie zijn toegevoegd, nu is het aan projectontwikkelaars om proefballonnetjes op te laten.

Podium

Soestdijk moest volgens de ingrijpende nieuwbouwplannen van MeyerBergman een ‘podium voor innovatiekracht en excellent ondernemerschap’ worden. Tot die tijd was het paleis een fascinerende tijdscapsule die de geschiedenis van een 20ste-eeuws koningshuis in crisis vertelde. Nu het interieur verdwenen is, inclusief Bernhards verzameling olifantjes en binnenkort waarschijnlijk zelfs het beroemde schilderij De prins van Oranje bij Quatre Bras (1817) dat J.W. Pieneman speciaal voor die plek maakte, blijft er van deze historische sensatie niets over.

De kern van het probleem is uiteraard het curieuze Nederlandse idee dat zelfs het imposantste erfgoed dat een land bezit, verkocht moet worden. In zo’n land beschouwt een projectontwikkelaar die een nieuwbouwhotel, negen flats en 450 parkeerplaatsen realiseert op een van oorsprong 17de-eeuws landgoed, zichzelf als een weldoener. Nadat je zo je best hebt gedaan ‘iets goed’ te doen voor Nederland, zo verzuchtte het echtpaar MeyerBergman, krijg je dit ‘geteut’.

Hanneke Ronnes is cultuurhistoricus en bijzonder hoogleraar Historische buitenplaatsen en landgoederen (UvA / RUG).

Meer over