Columnpeter middendorp

Op naar Duitsland voor een boosterprik

null Beeld
Peter Middendorp

Een vriend die voor zijn werk naar een land moet waar een booster verplicht is, stelde voor om er één in Duitsland te gaan halen. Als je er woonde, werkte of, zoals wij, familiebanden had, werd je er zo geholpen, ja, soms zelfs uitgenodigd.

Als de wereld vergaat, ga ik naar Nederland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later, schijnt Heinrich Heine te hebben gezegd. Maar de volgende dag reden we naar Duitsland – ook het redden van de wereld gebeurt er eerder dan bij ons.

Onderweg naar Emden – de weg was eentonig, grijs en nat – kreeg ik last van morele bezwaren. We kropen niet echt voor, zei ik bij mezelf, er was genoeg voor iedereen, het kwam er nu op aan dat er, linksom of rechtsom, zoveel mogelijk prikken werden gezet, we maakten, kon je zeggen, zelfs twee plekken vrij in Nederland, toch leek het me rechtvaardig als karma ons elkaar in de auto nog even flink zou laten besmetten.

We gaan er niet om zeuren, zei de vriend. We vragen het netjes en als het niet mag, begrijpen we dat en gaan we weer naar huis. En als er een rij staat, zei ik, gaan we niet aansluiten, want dan is de bevolking zelf nog niet geweest.

Het regende onbarmhartig in Emden, een groot Delfzijl met veel beton. In de hele omtrek van de Nordseehalle was geen mens te zien, de parkeerplaats was verlaten, de deur gesloten, op een raam verwees een nat plakkaat naar een wijkwinkelcentrum, een paar kilometer verderop.

Voor een hoog gebouw met winkels eronder keken we een tijd verrast naar Duitsers. Iedereen droeg een mondneusmasker, een goede, werkende, op de goede manier, niemand deed hem pas op de drempel op of meteen weer af. Ze waren anders, de Duitsers, ze kenden het nut, vonden een masker niet zo erg, en zo konden we nog wel meer eigenschappen van Duitsers opnoemen die het gedragsverschil verklaarden, maar de belangrijkste luidde toch, zei de vriend: het zijn geen Nederlanders.

Achter bosjes en een elektriciteitshuisje vonden we een lage loods met een rolluik, waar een bordje met Impfen aan hing en de mededeling dat de Impfers tot 16.00 uur middagpauze hielden; wie tijdig begint, heeft nooit haast. We wachtten er tien minuten in de regen, twintig minuten, een halfuur, en om klokslag 16.00 uur bleef het rolluik dicht – het was het meest on-Duitse wat ik ooit had meegemaakt. Je wist wel meteen, al bleven we nog een halfuur kletsnat wachten: die gaat ook niet meer open.

We probeerden het nog in Jummen, een dorpje bij Leer, die middag aangedaan door een Mobil Impfstation. Er stond een rij en een medewerker schudde beleefd het hoofd toen we zeiden dat we aus Holland kamen; es ging überhaupt nicht.

Na acht vruchteloze uren kwamen we koud, doorweekt, licht beschaamd en Nederlands thuis. Bij de GGD, zagen we, waren onze jaargangen net aan de beurt.

Meer over