COLUMNMAX PAM

Op een dag belde Heertje mij op. Hij zocht iemand die hem kon intomen

Beeld .

Ouderen hebben het moeilijk en nu is professor Heertje ook al dood. Hij werd 86 jaar. Toch was ik verrast door zijn overlijden, want tot op hoge leeftijd was hij een zeer vitale man. Dat weet ik, omdat ik een tijdje met hem door Nederland heb gereisd.

Aanvankelijk had ik moeite met wat Martin van Amerongen ‘het ­fenomeen Arnold Heertje’ heeft genoemd. In Persmuskieten, een boekje van Van Amerongen, wordt Heertje omschreven als ‘een ouwe man’, die zich had gevoegd bij overjarige socialisten als Sal Tas en Jacques de Kadt. Dat boekje is van 1981 en zo zie je maar weer hoe je moet oppassen met dat soort kwalificaties. Heertje overleefde Van Amerongen bijna twintig jaar en werd ook bijna dertig jaar ouder dan degene die hem oud had genoemd.

Toch begreep ik Van Amerongen wel. Heertje had zich aangesloten bij DS’70, een partij van teleurgestelde PvdA’ers die heimwee ­koesterden naar het tijdperk-Drees en dienovereenkomstig ­Willem Drees jr. als hun leider hadden aangesteld. Rare mannen, maar tegenwoordig denk ik daar wat anders over. Het was ook de tijd dat Heertje de neiging had om overal ‘antisemitische tendensen’ te ontwaren. Synagogen moesten toen nog niet worden beveiligd en de site JOOP bestond nog niet. Heertjes opgewonden reacties vond ik overdreven, ook daar denk ik inmiddels wat anders over.

Toch zei Heertje geregeld zeer verstandige dingen. Hij voorspelde het debacle van de Betuwelijn en zag direct dat de uiteindelijke kosten van de Amsterdamse Noord/Zuidlijn vele malen de geplande kosten zouden overschrijden. En dat we die geleende gelden aan Griekenland niet terug zouden krijgen, zoals de verantwoordelijke ministers beweerden, was hem ook van meet af aan duidelijk. Heertje ontwikkelde zich in het publieke debat tot een criticaster van formaat.

In de tijd dat ik voor tv-programa Buitenhof columns uitsprak, begon hij me sms’jes te sturen. Soms gaf hij me een compliment, soms werd ik beknord. Op een dag belde hij op. Hij was door de klanten van de bank MeesPierson gevraagd om een reeks lezingen te houden en zocht iemand die hem kon intomen.

‘Ik zoek iemand die mij in alles tegenspreekt’, zei hij.

‘Maar ik weet niets van economie’, wierp ik tegen.

‘Ik ook niet, dat komt dus goed uit.’

En zo reden wij door heel Nederland, van Groningen tot Maastricht. Ik kwam op de vreemdste plaatsen en leerde een soort Jort Kelder-publiek kennen, welgestelde mensen die graag willen weten hoe zij hun vermogens moeten ­beheren, zonder voor gierig te worden aangezien. Als wij voor zo’n zaaltje hadden gesproken, ­citeerde Heertje graag een gezegde van Heer Bommel: ‘Geld speelt geen rol, maar ik ben er toch aan gehecht.’

Heertje gaf ze vaak niet wat ze wilden horen. Ik herinner me een bijeenkomst over de ontwikkeling van het gebied langs het Noordzeekanaal, waarbij burgemeesters, ambtenaren, ondernemers en meer belanghebbenden aanwezig waren. Heertje gaf ze onderuit de zak, zei dat klimaat en schone lucht op den duur veel belangrijker waren en geloofde niet in ­Amsterdam als Mainport. Het gevolg was een opstand vol harde woorden en scheldpartijen. In Nederland was Heertje een van de eersten die dit soort dingen hardop zei. Hij was zeer tevreden toen wij naar huis tuften.

In de auto – mijn Oude Schicht – begon hij al college te geven en probeerde hij op mij uit wat hij zou gaan zeggen. Hij hield zich zelden aan onze onderlinge afspraken en ik moest hem soms van het podium afduwen om ook het woord te krijgen. In die tijd was hij erg gegrepen door Schumpeters theorie van de creative destruction. Eerst moet de boel helemaal kapot om op volle kracht te kunnen ­innoveren. Vooruitgang gaat altijd schoksgewijs. Het is jammer dat hij de huidige crisis niet heeft kunnen meemaken, want ik ben ervan overtuigd dat hij voornamelijk kansen zou zien. Dat is het optimisme dat typisch hoort bij oudere mensen, die al het een en ander hebben meegemaakt. Aan geklaag over tegenslagen heb je niks. Ik weet ook niet of hij er een voorstander van was geweest om de overheid voor 90 procent te laten opdraaien voor de verliezen van het bedrijfsleven – opdat alles bij het oude blijve.

Wat hij had meegemaakt was natuurlijk de Tweede Wereldoorlog en het feit dat hij als jongetje moest onderduiken bij moedige pleegouders. Het hield er een gemengd mensbeeld aan over. Hij schreef: ‘De vissen houden zich schuil onder water tot zij worden gevangen, de zieke bloembollen blijven onder de grond tot ze door ome Cor worden ontdekt. Onderduikers blijven ondergedoken, tot zij door een boze buitenstaander worden verraden.

Heertje redde trouwens ook het Amsterdams Volkstoneel van de ondergang – een groot man.

Meer over