ColumnPeter Buwalda

Op de stoep stonden Arendsoog en Witte Veder. Ze komen van de Dam, waar ze zijn wezen demonstreren

Afgelopen zondag, de dag van de demonstratie op de Dam, hadden we pal voor de woonstee een schietpartij. Je schrikt ervan, natuurlijk. Het komt ineens erg dichtbij.

Toen we naar buiten durfden te kijken, hing in de grote eik de oude dame van nummer 86, volgepompt met lood, druipend van de schenkstroop. De eerste mierenkolonie had zich al gemeld.

‘Heeft ze een nieuwe bril?’, stamelde Jet ontdaan.

‘D’r kapsel’, zei ik somber, ‘de onverlaten hebben d’r complete permanentje eraf gesneden.’

Van de daders ondertussen geen spoor. Wel ging de deurbel, en wie stonden er op het tuinpad? Arendsoog en Witte Veder, onze gepensioneerde vrienden uit Etten-Leur, wat gezellig.

Back off, greenhorns’, brult Arendsoog aka Bob Stanhope van achter zijn halsdoek. ‘Anderhalve! Fucking! Meter! Schijnt moeilijk te wezen, hiero.’ Zijn handen hangen vlak boven zijn holsters, erin twee na-smokende six-shooters.

Dreigende stilte.

De Apache, voorzien van een mondkapje van geweven kraaltjes, duwt een rollator naar ons toe. ‘Kleinigheidje voor squaw’, zegt hij, ‘hoeft niet in vaasje. Elke nadeel heeft wat dat aangaat z’n… wie zal ik het eens noemen… z’n…’

Witte Veder denkt lang na, voelend aan de gierenveer, Stanhope staat er zwaar geïrriteerd naar te kijken.

‘… z’n voordeel – laat Witte het zo maar noemen.’

De twee komen van de Dam, waar ze zijn wezen demonstreren tegen 1. disproportioneel geweld door sheriffs tegen indianen, 2. discriminatie van native Americans (indianen) en 3. coronagerelateerd huiselijk geweld tegen minderheden, zoals indianen.

Pas in de trein kwamen ze erachter dat Arendsoog op alle drie de fronten weleens een, nou ja, steekje laat vallen, om het vriendelijk te zeggen. ‘Daarom ben ik tussentijds maar naar de hakkenbar op de Kalverstraat gegaan’, zegt Stanhope. ‘Om de sporen van mijn boots te laten schroeven.’ Zijn anders zo bloeddoorlopen, wrede cowboy-ogen worden nat. Met gebroken piepstem: ‘Die hebben mijn laarsjes en ik niet meer nodig.’

Dan komt het hoge woord eruit. Van de week zijn Lightfeet en Salinero geruimd, niet eens preventief, maar na een enorme corona-uitbraak in hun flat aan de Pofadderdreef, waar ze tegen alle slachthuisvoorschriften in met z’n viertjes, incluis dus die horses, van hun aow’tje zaten te genieten.

‘Knollen’, legt Witte Veder uit, ‘zij liggen inmiddels gepekeld in vriezer. Corona’s zij niet kunnen van jou winnen, maar jij wel kan verliezen van corona’s.’

‘Jongens toch’, zeg ik, ‘kan ik een vuurwatertje voor jullie inschenken?’

‘Wel’, zegt de indiaan monter, ‘wij eten tot kersmies paardensteak met de frites. En gerookte hoefstuk in bloedsausje, en gevulde paardennek met de peterselie, en wie ook smakelijk is: hele grote, in boter gebraden paardenpenis.’

Arendsoog staat op, hij gaat met een verwrongen trek rond zijn huilmondje achter de Apache staan.

‘Misschien Witte na crisis’, rebbelt die door, ‘tevoorschijn komen met eigen kookboeklijn voor paardenliefhebbers. Zoals ik al zegde, iedere voordeel zij heeft na–’

Eerst horen we een harde krak, dan een klots. Met enorme kracht heeft Stanhope de kolf van zijn revolver op Witte Veders kolenzwarte kruin laten neerdalen. Terwijl de indiaan ons verbaasd lachend aankijkt, verdwijnt het paarlemoeren handvat geheel en al in zijn hoofd, het lijkt wel een kersenbonbon, zo makkelijk. ‘Vuile roodhuid’, brult de cowboy, ‘je hebt het gódverdomme toevallig wel over mijn paard.’

Witte Veder tuit zijn mond.

‘Haal even een pleister’, mompel ik, ‘links in de la.’ Jet staat al.

Meer over