EssayArnon Grunberg

Oorlogen hebben onze cultuur, onze instituten, ons denken mede vormgegeven. Geweld is altijd dichtbij

null Beeld Rosa Snijders
Beeld Rosa Snijders

De geschiedenis is een reeks van oorlogen, maar plotseling heeft men recht op vrede en dat wat men zelf normaliteit noemt.

Lang was er maar één oorlog in mijn leven (de Tweede), maar die was zo vanzelfsprekend dat ik me nauwelijks kon voorstellen dat er mensen door het leven gingen zonder de tastbare aanwezigheid van welke oorlog dan ook. Tegelijkertijd had ik niet het idee dat ik zelf ooit deel zou nemen aan een oorlog of er voor op de vlucht zou moeten slaan. Oorlog leek, althans in Europa, net als de dinosaurussen uitgestorven, hij was het verleden dat lange schaduwen wierp, niet de toekomst.

In de laatste klas van mijn lagereschooltijd waren de populairste meisjes weliswaar allemaal fan van Doe Maar, ze zongen gretig over de bom die zou vallen maar ze keken er zo vrolijk, bijna guitig bij dat die bom niet deed denken aan het atoomwapen, eerder aan een anarchistische mengeling van uitgelatenheid en erotisch getint genot. De bom, dat was doktertje spelen voor gevorderden.

De grote antikernwapendemonstratie op het Museumplein in 1981 liet ik aan mij voorbijgaan. Nu is 10 jaar misschien wat jong om te demonstreren, maar ik moet bekennen dat ik de mensen die fanatiek tegen kernwapens waren veel minder aardig vond dan de mensen die kernwapens een prima idee vonden of zich neutraal opstelden omdat ze genoeg andere zorgen aan hun hoofd hadden.

Daarnaast was ik opgevoed met het idee dat Amerika, hoewel zeker geen heilig land, aanzienlijk had meegeholpen het fascisme in Europa te verslaan en ik kon moeilijk geloven dat Amerika nu opeens een vijand was geworden.

Jaren later waren het merkwaardig genoeg films over de Vietnamoorlog die mijn ideeën over gewapende conflicten deden kantelen. Dankzij films als Apocalypse Now (1979) van Francis Ford Coppola, Platoon (1986) van Oliver Stone en Full Metal Jacket (1987) van Stanley Kubrick begreep ik dat het een merkwaardige gedachte was dat oorlog mij, dat oorlog ons zou overslaan. En ik twijfelde ook of ik dat echt wilde.

Toen ik in 2007 voor de tweede keer met het Nederlandse leger naar Afghanistan reisde, vertelde een militair me in het vliegtuig dat hij in dienst was gegaan vanwege Apocalypse Now.

In haar indrukwekkende boek War: How Conflict Shaped Us – indrukwekkend omdat het vrij volledig is en toch beknopt – schrijft Margaret MacMillan dat Coppola van plan was een antioorlogsfilm te maken, maar dat ten minste delen van de oorlog in zijn regie ‘stimulerend en mooi’ waren geworden. Ze refereert dan met name aan de openingsscène. The Doors spelen The End, we zien beelden van een fantastische groene jungle, met hier en daar wat rook en dan, van het ene moment op het andere, gaat de jungle in vlammen op. Het is misschien goed te vermelden dat voor deze scène daadwerkelijk een stuk jungle is verbrand.

Oorlog is vermoedelijk gedeeltelijk stimulerend en mooi, al hangt het natuurlijk sterk af van welk perspectief je kiest. De doden kunnen niet praten.

MacMillan schrijft dat het georganiseerde geweld in vrijwel elke samenleving aanwezig is geweest en dat de organisatie die nodig is om oorlog te voeren heeft bijgedragen aan de organisatie van onze samenlevingen. Oftewel, oorlogen hebben onze cultuur, onze instituten, ons denken mede vormgegeven.

Belasting was aanvankelijk bedoeld om ervoor te zorgen dat de vorst zijn oorlogen kon bekostigen. Onder druk van gewapende conflicten hebben wetenschappers uitvindingen gedaan waarvan de invloed vaak verder reikt dan het conflict zelf, maar ook: zonder industriële revolutie zou oorlog zoals wij die nu kennen ondenkbaar zijn. Techniek maakt het geweld doelmatiger, de noodzaak het geweld doelmatiger te maken drijft de wetenschap en de techniek vooruit.

De natiestaat is vrijwel altijd geboren in een orgie van georganiseerd geweld.

En de oude Grieken hebben al geprobeerd regels op te stellen voor de vechtende partijen. Zo schrijft de historicus Polybios twee eeuwen voor Christus dat ‘geheime projectielen’ verboden zijn en dat alleen het gevecht van man tot man – ‘hand-to-hand’ schrijft MacMillan – beslissend is.

Vrouwen zijn van oudsher beschouwd als oorlogbuit en de meeste gewapende conflicten gingen gepaard met massaverkrachtingen. In 1945 zijn naar schatting twee miljoen Duitse vrouwen door het Rode Leger verkracht. Daar kwam pas een eind aan in augustus 1945, toen de Russen beseften dat dergelijke verkrachtingen geen goede reclame waren voor het communisme en maarschalk Georgi Zjoekov, de commandant van de Russische bezettingszone in Duitsland, zijn soldaten mededeelde dat het verkrachten van Duitse vrouwen ‘het fascisme enorm hielp’.

Overigens hebben vrouwen dikwijls ook mannen aangemoedigd om te vechten en mannen die niet wilden vechten beschaamd en geridiculiseerd. Het was in het perspectief van de geschiedenis van de mensheid zeker geen uitzonderlijke uitspraak van Mussolini toen hij verklaarde dat oorlog voor de man is wat moederschap voor de vrouw is. De vrouw baart het kind, de man de oorlog.

Oorlog en het leger zijn voor velen ook een manier geweest om aan vervolging en armoede te ontsnappen. Denk bijvoorbeeld aan de prachtige roman van Stendhal, Het rood en het zwart. Nog steeds werft menig leger met de niet geheel gelogen belofte dat toetreding opwaartse sociale mobiliteit mogelijk zal maken, al kan in ruil daarvoor van je worden gevraagd om te sterven.

Het is een van de ironische kanten van oorlog dat de dingen die het de moeite waard maken om te leven ook vaak dingen zijn die de moeite waard zijn om voor te sterven, schrijft MacMillan.

Maar waarvoor wil ik sterven? En als ik nergens voor wil sterven, wie ben ik dan?

Dat is een vraag die me bezighoudt sinds ik de eerste keer in 2006 naar Afghanistan reisde en ik volgens mijn toenmalige vriendin na een week ‘onoverwinnelijk’ terugkwam. Soms is een enorme omweg nodig voor de kortstondige roes van de onoverwinnelijkheid.

De krijger als held werd in de Griekse mythologie nog serieus genomen, maar zeker de 20ste eeuw heeft de frasen waarmee de gesneuvelde soldaat wordt geëerd, vrijheid en het vaderland, misschien wel volledig ontmaskerd. Voormalig presidentskandidaat en minister van Buitenlandse Zaken John Kerry, hij diende in Vietnam, vroeg zich in een beroemde rede af: ‘Hoe vraag je aan een man om de laatste man te zijn die sterft voor een vergissing?’

Recentelijk werd me gevraagd of ik bereid was de Amerikaanse grondwet te verdedigen, of ik bereid was daarvoor de wapens op te nemen. Het gaat even niet om Amerika, maar als het goed is beschermt een grondwet bepaalde fundamentele vrijheden van de ingezeten van een land. Je kunt die vrijheden uitsluitend geweldloos willen verdedigen, maar dat zal veelal neerkomen op een theoretische verdediging.

Aan de andere kant, wie wil er sneuvelen voor een grondwet? Al uit de vroegste oorlogen weten we dat als soldaten al ergens voor sneuvelden, dan voor elkaar, wat een van de redenen is dat oorlog nog altijd zo’n aantrekkingskracht op velen uitoefent. Hij kan een onvoorwaardelijke verbondenheid met zich meebrengen die men elders niet of niet in die mate aantreft. En toch, als puntje bij paaltje komt en je niet bereid bent voor je eigen grondwet te sterven, wat betekent die grondwet dan?

In het hedendaagse Westen is de honger naar oorlogsverhalen en rituelen om oorlogen te herdenken nog altijd groot, meent MacMillan, maar uitzonderingen daargelaten willen we oorlogen niet meer zelf uitvechten. Ik betwijfel ook of de wil te weten wat oorlog écht is zo groot is, iets waarvoor wij, die oorlog alleen van horen zeggen kennen, vooral afhankelijk zijn van oorlogsjournalisten, schrijvers, schilders, filmmakers en fotografen.

Alleen zo kan ik begrijpen dat een hedendaagse burgemeester als er een supermarkt geplunderd is over een burgeroorlog begint. Men is kennelijk afgesneden van kennis over wat oorlog en burgeroorlog zijn en zo wordt elke inbreuk op wat normaliteit wordt genoemd als een oorlogssituatie ervaren. De geschiedenis is een reeks van oorlogen, maar plotseling heeft men recht op vrede en dat wat men zelf normaliteit noemt. Ik ben niet dol op het woord privilege, maar als iets van privilege getuigt, is het deze verder overigens alleszins begrijpelijke levenshouding.

Misschien zijn wij eindelijk beschaafd geworden, aan de andere kant dachten de Europeanen in 1914 ook dat ze eigenlijk te beschaafd waren voor oorlog en dat de landen onderling economisch te afhankelijk van elkaar waren om ooit nog de wapens tegen elkaar op te nemen.

Tegelijkertijd heeft de pandemie het woord ‘offer’ weer in het centrum van het maatschappelijk debat geplaatst. Een woord dat vroeger vooral werd gebruikt voor soldaten die doorgaans weinig eervol stierven in oorlogen die nu veelal op onze afkeuring kunnen rekenen. Heldendom en offers zijn niet verdwenen, ze hebben alleen andere vormen aangenomen. De held moet blijven leven en het offer mag niet te groot zijn.

Ik moet bekennen dat oorlog mij blijft bezighouden, dat ik soms terugverlang naar die weken dat ik in oorlogsgebieden ben geweest. Niet uit een misplaatst verlangen naar heldendom, maar omdat ik daar iets heb meegemaakt wat ik niet had willen missen, een combinatie van absurditeit en roekeloosheid, van onmacht en jeugd, van destructie en onoverwinnelijkheid, van dood en levenshonger.

Oorlog verdwijnt niet door hem te vergeten. Geweld is altijd dichtbij en de staat is niet gebouwd op Christus, de koekoeksklok en mensenliefde, maar op de mogelijkheid van zorgvuldig georganiseerd geweld.

Meer over