Essay

Ook op de universiteit is kansenongelijkheid. Help studenten uit kansarme milieus en verander het pedagogische klimaat

Jongeren die van huis uit niet vertrouwd zijn met het wereldje van hoogopgeleiden, hebben het moeilijk op de universiteit. Uitkomst biedt een pedagogisch klimaat, gericht op de emancipatie van deze groep.

Milio van de Kamp
Kansenongelijkheid stopt niet na de basisschool. Willen we kinderen uit arme milieus emanciperen, dan moeten we oog voor hen hebben gedurende de hele schoolcarrière. Beeld Margriet Osinga
Kansenongelijkheid stopt niet na de basisschool. Willen we kinderen uit arme milieus emanciperen, dan moeten we oog voor hen hebben gedurende de hele schoolcarrière.Beeld Margriet Osinga

‘Kom op jongens, het is hier toch geen mbo?’ schreeuwt een docent gefrustreerd richting een luidruchtige groep studenten voor in de hoorcollegezaal. ‘Zulk gedrag verwacht je op het mbo, niet op een universiteit. Hier ben je gewoon stil als ik praat’.

Twee jaar daarvoor zat ik nog op het mbo. De uitspraak van de docent doet me voelen wat ik al vaker heb gevoeld: kennelijk hoor ik toch niet thuis op de universiteit.

Kansenongelijkheid staat vol in het licht. We lezen erover in kranten, rapporten, onderzoeken en evaluaties. Miljoenen kijkers volgden achtstegroepers uit Amsterdam-Noord in de NPO serie Klassen. Het kabinet Rutte IV maakte er een speerpunt van in het coalitieakkoord en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap richtte de Gelijke Kansen Alliantie op. Het is mooi dat de discussie over kansenongelijkheid zo hoog op de agenda staat, maar vrijwel zonder uitzondering gaat het over het basisonderwijs: over leerachterstanden en de kwaliteit van docenten op scholen in armere wijken. Maar het blindstaren op deze vroege onderwijsperiode bemoeilijkt het zicht op de latere effecten van kansenongelijkheid. Want die stopt niet na onderadvisering, niet na de basis- of middelbare school. Kansenongelijkheid is een rugzak die mensen hun hele leven blijven meedragen, weet ik uit eigen ervaring én als begeleider van eerstegeneratiestudenten op de universiteit.

In Nederland worden scholieren gemiddeld op hun 12de ingedeeld in een onderwijsniveau, vroeger dan in veel andere landen, met Scandinavië voorop, waar de leeftijd rond de 16 jaar ligt. Deze vroege selectie in Nederland is nadelig voor kinderen uit arme milieus: hoe eerder kinderen worden ingedeeld in niveaus, hoe groter de invloed van de leefomgeving en hun ouders op die vervolgstap is.

In theorie zou de middelbare school dit kunnen corrigeren. Goed presterende kinderen kunnen nog opklimmen. Maar op de middelbare school ontstaan juist méér barrières. Op het vmbo wordt er minder van een kind verwacht en docenten schatten de kinderen als minder intelligent in. Het patroon van lage verwachtingen, dat is ingezet op de basisschool, loopt gestaag door en kan een negatieve invloed hebben op het vertrouwen in het eigen kunnen van leerlingen. Op het vmbo internaliseren kinderen heersende vooroordelen: dat vmbo’ers minder intelligent en belangrijk zijn voor de maatschappij, bijvoorbeeld. Hierdoor kunnen ze ook daadwerkelijk slechter gaan presteren. Ambities raken zo almaar verder uit het zicht.

De schade van lage verwachtingen

De schade van lage verwachtingen ondervond ik zelf op mijn door de inspectie als ‘zeer zwak’ bestempelde vmbo-school in Amsterdam Nieuw-West. Een oud en lelijk gebouw met meubilair dat het vertrouwen in de leerlingen symboliseerde: zowel de tafelvoetbaltafel in de kantine als de computers in het computerlokaal zaten met kettingen aan de vloer en muur gelast. De stoelen waren versleten en de uitstraling van docenten deed eveneens vermoeden dat ze er niet vanuit gingen dat het ooit iets zou worden met ons: ze waren al tevreden als je überhaupt aanwezig was.

Toen ik tijdens een les voorzichtig aan mijn docent Nederlands vertelde dat ik later misschien wel naar de universiteit zou willen, gaf ze me een blik vol medelijden. ‘Misschien’, antwoordde ze, ‘moet je iets lager mikken’. Mijn dromen en ambities spatten uiteen in een vervallen lokaal. Het raakte me zo, omdat de docent in mijn ogen de expert was. Ik kende verder niemand die naar de universiteit was gegaan. In mijn beleving was het onderwijs de enige route uit de armoede waarin ik opgroeide. Ik had lang geprobeerd het gebrek aan vertrouwen naast me neer te leggen, maar haar reactie leek de deur definitief dicht te gooien. Toch had ze geen kwade bedoelingen. Waarschijnlijk wilde ze teleurstelling voorkomen omdat ze dacht dat ik het op de universiteit nooit zou redden. Daarin schuilt echter het meest pijnlijke element van kansenongelijkheid; het is altijd bedekt met een deken van goede intenties.

Dat kansenongelijkheid een structureel probleem is ondervond ik een aantal jaren later. Inmiddels stond ik als jongerenwerker voor de klas en gaf ik gastlessen over schuldenproblematiek op het vmbo en mbo. Voorafgaand aan mijn allereerste les nam de vmbo-docent mij apart: ‘ik moet je wel waarschuwen, deze kinderen kunnen echt niks’. De docent zat vervolgens de gehele les achter in de klas op zijn iPad te kijken. De mooie gesprekken met de leerlingen gingen aan hem voorbij. Zijn oordeel stond al vast.

Na het mbo kwam ik voor een dilemma te staan: doorstuderen of niet? Ondanks vele bijbanen had ik al flink wat studieschuld opgebouwd en ik wist wat schulden met mijn ouders hadden gedaan. Daarbovenop kwamen de twijfels over het niveau. In mijn hoofd was het hbo een plek voor slimme mensen, niet voor mensen zoals ik. Toch wilde ik zo ontzettend graag de stap maken, het hbo voelde als de plek waar ik mezelf kon ontwikkelen tot iemand die ik wilde worden.

Jongeren met dezelfde twijfels

Later leerde ik dat ik niet de enige was. Tijdens mijn werk als jongerenwerker ontmoette ik honderden jongeren met dezelfde twijfels. Aan het einde van de gastlessen op mbo-scholen stelde ik steevast dezelfde vraag: wie van jullie wil graag doorstromen naar het hbo? Vaak ging zo’n driekwart van de handen omhoog. Bij mijn vervolgvraag, wie van hen deze stap ook daadwerkelijk dacht te gaan maken, bleven er maar een paar in de lucht.

De redenen die ze benoemden waren steevast de angst voor het niveau en de angst om schulden te maken. Na een les op een ROC in Utrecht zat ik met een groepje studenten in de kantine na te praten over hun ambities. Een van deze studenten wilde graag tandarts worden, maar had besloten die droom in haar derde jaar van het mbo op te geven. ‘Meneer, ik kan toch niet gokken met mijn leven? Ik moet mijn ouders helpen met boodschappen betalen, en dan kan ik wel naar het hbo gaan, maar ja, straks ben ik te dom en raak ik daardoor in de problemen’. De rest van de groep knikte begripvol.

Het zijn geen losse anekdotes, verschillende rapporten laten zien dat met name eerstegeneratiestudenten, studenten die als eerste in hun familie gaan studeren aan een hogeschool of universiteit, jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en jongeren uit arme milieus vanwege bovengenoemde redenen minder vaak doorstromen van mbo naar hbo, en van hbo naar universiteit. De afgelopen jaren was er zelfs sprake van een daling: in 2016 bedroeg het aantal doorstromers van mbo naar hbo 35 procent, tegenover 42 procent in 2005, blijkt uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De kloof dichten

Uiteindelijk maakt een klein deel, waaronder ikzelf, toch de overstap. Ik ging van mbo naar hbo, en van hbo naar universiteit. Hoe simpel en gedecideerd het er zo op papier uitziet, doet geen recht aan hoe ingewikkeld en onzeker het in werkelijkheid was. De overgang van het hbo naar de universiteit bleek verreweg de grootste. Op het hbo zijn meer doorstromers en eerstegeneratiestudenten; op de universiteit kende ik er geen. Universiteiten zijn redelijk op de hoogte van de struikelblokken die deze studenten ervaren, bijvoorbeeld in theoretisch denken en wetenschappelijk schrijven. Cursussen moeten helpen de kloof te dichten, en doen dat ook enigszins. Toch raken deze programma’s niet aan het fundamentele probleem dat doorstromers en eerstegeneratiestudenten op de universiteit ervaren.

De kern van dat probleem is onzichtbaar. Het grootste struikelblok zit in wat socioloog Pierre Bourdieu ‘cultureel kapitaal’ noemt, het gevoel dat je hebt voor de cultuur, de mores, de gebruiken, de normen in een bepaalde omgeving. Het gaat om een feel for the game, om aanvoelen hoe je ergens hoort te praten, bewegen en gedragen. Studenten uit de hogere middenklasse weten intuïtief hoe ze zich op de universiteit moeten gedragen, ze spreken dezelfde taal, snappen de verwachtingen en delen de heersende normen en waarden. Doorstromers en eerstegeneratiestudenten kennen de cultuur vaak niet. Op mijn allereerste dag merkte ik al het verschil met mijn medestudenten. Ze spraken in accentloos Nederlands met woorden die ik niet kende en over boeken waar ik nog nooit van had gehoord. Mijn plat Amsterdamse accent vol straattaal paste daar niet tussen.

Onderzoek laat zien dat het ontbreken van het passende culturele kapitaal maakt dat eerstegeneratiestudenten op de universiteit zichzelf vaak als minderwaardig en minder intelligent inschatten. Ook vinden ze sociaal weinig aansluiting. Het leidt vaak tot slechtere prestaties. Ook ik voelde me een buitenbeentje, wachtend op het moment dat ik door de mand zou vallen. Zelfs toen ik mijn masterdiploma in handen kreeg, voelde het nog alsof ik alleen maar geluk had gehad.

Nu ben ik zelf docent

Nu ik als docent aan de Universiteit van Amsterdam werk, kom ik ze ieder jaar tegen: studenten die niet het gebruikelijke van-vwo-naar-universiteit pad hebben gevolgd. Inmiddels begeleid ik een klas met uitsluitend doorstromers en eerstegeneratiestudenten en heb ik een programma opgezet voor die laatste groep. De verhalen en ervaringen van deze studenten zijn schrikbarend identiek aan elkaar, en aan die van mijzelf. Bijna wekelijks komen eerstegeneratiestudenten bij mij aankloppen. Met volle hoofden vragen ze zich hardop af of ze niet gewoon moeten stoppen. Elke drempel voelt zo hoog als de Himalaya en elk probleem is een doemscenario, ook al is er gezien de studieresultaten vaak weinig aan de hand. Toch zien we dat de uitval onder eerstegeneratiestudenten hoger is op elk niveau, of het nu de middelbare school, het mbo, hbo of de universiteit is. Uit buitenlands onderzoek blijkt de combinatie van stress en faalangst een belangrijke rol te spelen.

De oplossing hiervoor vereist een verandering in de manier waarop we naar ongelijkheid kijken. We moeten de verantwoordelijkheid van de gedupeerde van kansenongelijkheid naar de aanstichter verplaatsen. We moeten af van het idee dat we kinderen en studenten uit arme milieus aansporen zich aan te passen aan een onderwijssysteem dat gemaakt is voor en door de hogere middenklasse. Het pedagogische klimaat moet meer gericht zijn op de emancipatie van achtergestelde groepen. Van kleuterjuf tot scriptiebegeleider: onderwijsprofessionals moeten beter toegerust zijn op de talenten en behoeften van kinderen uit arme milieus. Dit kan bijvoorbeeld door leerkrachten met een diverse achtergrond te trainen en actief in te zetten voor deze emancipatie. Koppel docenten en klassen met vergelijkbare achtergronden aan elkaar en er ontstaat empathie en erkenning: twee essentiële competenties om kansenongelijkheid tegen te gaan. Anderzijds moeten ook besturen het belang hiervan gaan inzien. Het gros van de besturen, van basisschool tot universiteit, bestaat uit mensen afkomstig uit de hogere middenklasse. Door gebrek aan inzicht komt het gesprek over de impact van sociale klasse op kansenongelijkheid moeizaam op gang. Ook hier geldt: het bestaat niet omdat ze het niet zien.

De effecten van kansenongelijkheid verdwijnen niet na de basisschool. Ze beïnvloeden de hele schoolcarrière - zelfs op de universiteit. Wie door alle barrières heen breekt moet zichzelf zien te redden in een wereld die eigenlijk niet voor hem gemaakt is. Onderwijssocioloog Orhan Agirdag pleit al jaren terecht voor meer culturele competenties voor professionals in het onderwijs. Ik zou daar graag klassecompetenties aan willen toevoegen. Bourdieu schreef dat het onderwijs een fabriek is om de middenklasse te reproduceren. Willen we echt iets aan kansenongelijkheid doen dan moeten we niet de kinderen, maar de fabriek zelf veranderen.

Milio van de Kamp is socioloog en docent aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek ‘Misschien moet je iets lager mikken’ verschijnt volgend jaar bij uitgeverij Atlas Contact.

Meer over