Opinie

Ook niet-Randstedelingen moeten hun plek opeisen in de slavernijdiscussie

De Nederlandse slavernij beperkte zich niet tot de Randstad. Om een echt nationaal debat over het koloniale verleden te voeren, betoogt Sander van der Horst, moeten ook de provincies een stem krijgen.

Kranslegging bij het slavernijmonument in Middelburg.
 Beeld Hollandse Hoogte
Kranslegging bij het slavernijmonument in Middelburg.Beeld Hollandse Hoogte

Elk jaar neemt de aandacht voor het slavernijverleden in rap tempo toe. In Amsterdam is de tentoonstelling Slavernij druk bezig een kaskraker te worden en biedt burgemeester Halsema haar excuses aan voor de rol die de hoofdstad in slavenhandel speelde. Plannen voor excuses van Rotterdam staan in de steigers. Historisch onderzoek naar de slavernij in Utrecht verschijnt binnenkort en ook Den Haag neemt zijn slavernijverleden onder de loep. Gezamenlijk roepen de vier grootste steden van Nederland nu op tot excuses van de regering en een nationaal onderzoek.

Het kan niet verrassen dat de Randstad het voortouw neemt in de discussies over het Nederlandse slavernijverleden. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht waren immers belangrijke spelers in de slavenhandel. Tegelijkertijd is dit maar een deel van het verhaal. De Nederlandse slavernij hield niet op bij de Randstad. Je hoeft er het boekje Gids Slavernijverleden Nederland maar op na te slaan en de plekken buitelen over elkaar heen: het Limburgse Huize Blankenberg, de Kleine Rubenberg in Noord-Brabant, het Gelderse Kasteel Cannenburgh of Huize Arnichem in Drenthe. Stuk voor stuk plekken die een cruciale rol speelden in de Nederlandse slavernijgeschiedenis.

Serieuze aandacht

Kortom, het slavernijverleden van de provincies verdient serieuze aandacht. En niet alleen vanuit historisch oogpunt. Want in de media dreigt er een zekere ‘slavernijkloof’ te ontstaan: de verwerking van het koloniale verleden in de Randstad staat in veel kranten vol in de schijnwerpers, terwijl dat van de provincies achterwege wordt gelaten. En dat is kwalijk. Want zo wordt de Randstad indirect als het ‘verlichte deel der natie’ gepresenteerd, tegenover de ‘achtergebleven’ rest van Nederland. Dat staat elke poging tot een volwaardig nationaal debat over het slavernijverleden in de weg.

Simpelweg meer aandacht voor slavernij in de provincies zou daarom niet volstaan. Het maakt uit of er over een streek wordt geschreven of vanuit. Dan ligt in deze tijden van polarisatie een belerend vingertje (‘ook jullie waren fout!’) al snel op de loer. Het zou een betere oplossing zijn als lokale historici, gemeenschappen en nazaten met kracht en overtuiging een plek opeisen in de huidige discussie. Zo zouden ook de 10 miljoen niet-Randstedelingen een serieuze stem kunnen krijgen in het slavernijdebat van nu.

Eerste stappen

De eerste leerzame stappen zijn al genomen. Neem ‘Sporen van Slavernij in Gelderland’, een project van plaatselijke historici en nazaten van tot slaafgemaakten. Door middel van historisch onderzoek, workshops en theater zet dit programma het Gelderse slavernijverleden overtuigend op de kaart. Ook wordt er op 1 juli op steeds meer plaatsen Keti Koti gevierd. Zo organiseert de gemeente Arnhem voor het eerst een lokale herdenking en zijn er ontmoetingen over slavernij in Groningen. Noemenswaardig is ook het landelijke initiatief Free Heri Heri For All, dat onder andere in Leeuwarden en Tilburg maaltijden uit de Afrikaanse diaspora uitdeelt.

In 2023 viert de officiële afschaffing van de slavernij zijn 160ste jubileum. Reden genoeg om dan een speciaal herdenkingsjaar te maken, inclusief officiële excuses. Dat kan alleen waarde hebben als het hele land daarin wordt meegenomen, de provincies voorop. Zodat langzaam maar zeker duidelijk wordt: het slavernijverleden is een kwestie van iedereen, van overal.

Sander van der Horst is research master student Colonial and Global History aan de Universiteit Leiden.

Ook op regeringsniveau tijd voor erkenning en heling

Tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden zal burgemeester Halsema van Amsterdam namens het gemeentebestuur excuses uitspreken voor de rol van Amsterdam bij de slavernij. Wat ons betreft terecht, aangezien de stad Amsterdam tot ver in de 19de eeuw sterk betrokken was bij de handel in de tot slaafgemaakten en de slavernij-praktijk in de plantagekolonies, zo blijkt ook uit recente intensieve wetenschappelijke studie en archiefonderzoek.

De Nederlandse overheid heeft ook sterke betrokkenheid gehad bij dit verleden door deze slavenhandel en de praktijk in de kolonies te faciliteren. En door tot tien jaar na de officiële afschaffing toe te staan dat mensen in de West slavenarbeid moesten blijven verrichten. Tot onze spijt bent u, geachte Mark Rutte, niet aanwezig op dit historische moment. Ook wilt u als demissionair premier geen excuses aanbieden voor de rol van Nederland in dit slavernijverleden; het zou naar uw mening te lang geleden zijn en te veel polariseren.

Dit zijn loze argumenten. Excuses zijn niet alleen een erkenning van de lelijke kanten van onze geschiedenis, waardoor we meer begrijpen van de samenleving van nu. Excuses zorgen ook voor erkenning van het grote onrecht dat velen is aangedaan. Gelukkig hebben onder uw hoede al meerdere excuses voor tekortkomingen, misstanden en onmenselijkheden plaatsgevonden. Wij nodigen u daarom uit aanwezig te zijn bij het Slavernijmonument in Amsterdam. Als demissionair premier heeft u de mogelijkheid met uw persoonlijke aanwezigheid te laten zien dat óók op regeringsniveau het tijdstip van erkenning en heling nu werkelijk is aangebroken.

Sofyan Mbarki en Nenita La Rose, fractievoorzitter en raadslid PvdA Amsterdam

Één dag om belang van bevrijding en vrijheid te vieren

De G4 bepleiten een nationale feestdag voor de viering van de afschaffing van de slavernij. Geen weldenkend mens zal het belang van Keti Koti betwisten, maar inderdaad ‘lopen we het gevaar een grote symbolische stap te zetten zonder dat we erover uit zijn wat die stap precies moet inhouden’ (historicus Karwan Fatah-Black).

In dat verband pleit ik al langer om voor de verbindende waarde ‘vrijheid’ een officiële Nederlandse feestdag in te stellen, in plaats van verder te ‘versnipperen’ in Bevrijdingsdag (4/5 mei), Keti Koti (1 juli), Dag tegen de mensenhandel (18 oktober), ­Werelddag tegen seksuele uitbuiting (4 maart). In mijn voorstel is de Dag van de Vrijheid (5 mei) een dag waarop we álle Nederlanders uitnodigen het belang van bevrijding en vrijheid te vieren.

Uiteraard kunnen mensen die dat willen ook Keti Koti vieren, of de Europese Dag tegen de Mensenhandel of de Werelddag van de strijd tegen seksuele uitbuiting. Even belangrijk om bij stil te staan, maar het is ondoenlijk om voor ieder een aparte nationale gedenkdag uit te roepen.

Ludo Grégoire, jurist, Leiden

Meer over