ColumnAleid Truijens

Ook in het hbo is taalonderwijs hard nodig

null Beeld

Wat is een hypothese? Hetzelfde als een ‘aanname’ of ‘veronderstelling’? Wanneer is iets ‘plausibel’, ‘baanbrekend’ of ‘beproefd’? Wat is een ‘argument’? Is een ‘gevolgtrekking’ iets anders dan een ‘conclusie’? Wat is het verschil tussen een ‘reden’, ‘oorzaak’ en ‘motief’ ? Tussen een ‘standpunt’, ‘bewering’ of ‘mening’?

Veel mensen weten min of meer wat al deze woorden betekenen, ze komen in ieders levens voorbij, in de krant, op internet en in gesprekken. In die zin behoren ze tot de woordenschat – mooi woord: een schatkist met klinkende munten, door niemand af te pakken – van veel Nederlanders. Maar ga je kijken wie precies weet wat ze betekenen en wanneer en hoe je ze gebruikt, dan valt dat lelijk tegen.

Taal is niet alleen taal. Betekenis van woorden heeft altijd met de inhoud te maken. Om echt te snappen wat een gevolgtrekking of drogreden is, heb je kennis van de werkelijkheid nodig. Je kunt de woorden ‘feit’ en ‘mening’ kennen, maar die twee van elkaar onderscheiden in discussies is nog iets anders. Woordenschat en leren zijn onverbrekelijk verbonden; een grote woordenschat opent en vergroot de wereld en helpt bij het nadenken. Dat is iets waar onderwijs zich op alle niveaus, van kleuterklas tot universiteit, van bewust moet zijn.

Goed nieuws is dat er een toets is ontwikkeld voor hbo-studenten die hun ‘academische woordenschat’ meet en dat die toets betrouwbaar is volgens de onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Hogeschool van Amsterdam (Science Guide, 25 oktober). Dat is belangrijk, want alle studenten in het hoger onderwijs, ook al worden ze geen onderzoeker, moeten wetenschappelijke literatuur kunnen begrijpen.

In de toets werd gewerkt met 480 woorden, de Cito Woordenschatlijst Academisch Nederlands, die weer komen uit een langere lijst, in het Nederlands, Engels en Frans. Het gaat niet om jargon of technische termen, maar om gewone, abstracte woorden zoals ik hierboven noemde, woorden die in wetenschappelijke artikelen – en in wetenschapsbijlagen van kranten – vaak op een bepaalde, eenduidige manier voorkomen. Taal is ook afspraak.

Uit het onderzoek onder hbo-eerstejaars bleek dat doorstromers uit het mbo slechter presteerden dan alle anderen en havisten slechter dan vwo’ers. Dat is niet verrassend, maar de vraag is wat het hbo gaat doen met de uitkomsten als deze toets overal wordt ingevoerd. Mogen studenten die zakken verder met hun studie? Zo ja, hoe spijker je ze bij?

Ik hoop dat dit eerste resultaat aanleiding is om eens goed na denken over taalonderwijs in het hele hoger onderwijs. Taalontwikkeling kan niet zomaar ophouden bij de middelbare school; je hebt een hoog abstractieniveau nodig en een brede én specifieke woordenschat om over je vak te communiceren.

Dit staat nog los van de discussie over de verengelsing van het hoger onderwijs. Wie in het Nederlands niet weet wat een gevolgtrekking is, kan de betekenis in het Engels evenmin toepassen. Echte tweetaligheid is prachtig en de talen hoeven elkaar niet weg te drukken, maar als studenten in beide talen onder hun niveau blijven prutten door een gebrekkige woordenschat en een laag abstractieniveau, is dat treurig.

Het is nuttig als het hoger onderwijs studenten leert goed te formuleren, argumenteren, lezen en analyseren, in het Nederlands, Engels of beide. Ja, dat is een nieuw vak erbij. Dat kost wat en er zijn goede docenten voor nodig. Maar die investering is de moeite waard, ze levert de hele samenleving iets op. Van wat je studenten leert, hebben veel anderen op den duur plezier.

Meer over