ColumnSheila Sitalsing

Ook de afschaffing van de slavernij ging op z’n Nederlands: in stukjes en uitgesmeerd over een lange tijd

null Beeld

Het heeft even geduurd, maar we naderen het punt waarop ook hier 1 juli een grote dag wordt, de dag die we in Suriname Emancipatiedag noemen. Dat is een prachtige naam omdat de naam optimisme en belofte in zich draagt, en omdat je al heel jong foutloos ‘emancipatie’ leert zeggen – het zou overigens ook een goede naam zijn voor Nederland, omdat we dan af zijn van de goeiige maar zelden gelukte pogingen om keti koti goed uit te spreken.

Wilt u dit verhaal liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

1 juli is een dag van nationaal historisch belang, een heel erg Nederlandse dag. Omdat dit land zo nodig koloniën moest hebben, want tabak, suiker, specerijen. Omdat dit land zo nodig plantages moest. Omdat het Portugezen de pas wilde afsnijden, Spanjaarden wilde kleineren, de begerige handjes uitstrekte naar zilvervloten, met de Engelsen ging kwartetten en daar Suriname aan over hield. Omdat het aan door de staat gesanctioneerde mensenhandel ging doen.

Niemand was uitgenodigd om de boel te komen rampeneren. Niemand was gedwongen mensen op markten te verkopen, een praktijk die ook toen al verwerpelijk werd gevonden – een beroep op ‘het was nu eenmaal de tijdgeest’ is gelul, er zijn altijd abolitionisten geweest. Zulke handelingen scheppen verplichtingen, ook een eeuw of wat later. Zie het als onderdeel van de erfenis.

Op zeker moment moesten de Nederlanders van de intensieve menshouderij in de koloniën af. Omdat de beschaving voortschreed, en omdat de Engelsen al hadden besloten tot dit nooit meer. De Fransen waren al door de pomp. En Nederland? Dat traineerde. Besloot tot afschaffen in stukjes, uitgesmeerd over de tijd. Het grote, revolutionaire gebaar is hier nooit populair geweest.

Eerst mocht de trans-Atlantische handel niet meer. Vervolgens kwam er een staatscommissie, om rustig uit te rekenen wat afschaffing wel niet ging kosten. Toen ik over die staatscommissie las bij Anton de Kom, die in 1934 alle details al opschreef in Wij slaven van Suriname, maakte mijn hart een huppeltje. Toen al: dol op commissies als parkeergelegenheid voor netelige kwesties.

De staatscommissie bepaalde de noodsteun van die tijd, voor het grootkapitaal wel te verstaan: elke slavenhouder kreeg 300 gulden schadeloosstelling per vrijgelaten slaaf (de vrijgelatene zelf kreeg niets). Geweldige passage uit De Kom: ‘Toen het eenmaal zover was, ontwaakte echter in het hart van vele plantagebezitters de hebzucht. Hoe – driehonderd gulden zou men ontvangen voor iedere slaaf, en dan te bedenken dat er in de bossen nog honderden marrons rondliepen die eenmaal hun wettig eigendom waren geweest en waarvoor zij thans geen cent zouden ontvangen? Welk een onrechtvaardigheid!’ Toen al: de maar-dat-is-niet-eerlijk-reflex.

Er is zelfs nog een (mislukte) poging ondernomen om in de binnenlanden op marrons te jagen, de weggelopen plantageslaven die hun eigen vrije maatschappij hadden opgebouwd voorbij de stroomversnellingen. Enkel om ze meteen weer vrij te verklaren en daarmee 300 gulden schadeloosstelling te kunnen vangen.

Vervolgens bleek dat ook na 1863 de vernedering doorging, nog tien jaar moest men doorwerken op de plantages, in ‘vrije dienstbaarheid’. Daarna wachtten armoede en bezitloosheid. En toch zijn er in het Nederland van nu mensen die zich op de borst kloppen omdat het óók blanke Nederlanders waren die de slavernij hebben afgeschaft.

Van cententellerij tot misplaatste borstklopperij: alle ingrediënten zijn voorhanden om hier een grote Nederlandse dag van te maken.

Meer over