ColumnJasper van Kuijk

Onze plattelandsgemeenschap heeft me bewuster gemaakt van wat het woord ‘samenleving’ betekent

Jasper van Kuijk schrijft wekelijks over het tijdelijke verblijf met zijn gezin in Zweden.

Tijdens mijn hardlooprondje door de Zweedse bossen loop ik plotseling tegen een lange rij wachtende auto’s aan. De brandweerman die aan het begin van de rij de auto’s tegenhoudt heeft een bekend gezicht, een ouder van school. ‘Kan ik erlangs, denk je?’, hijg ik. ‘Als je goed langs de kant van de weg blijft lukt het wel, de ambulance is bijna klaar.’

Onze brandweer bestaat uit lokale vrijwilligers. Zoals zoveel hier. De school wordt gerund door een coöperatie van ouders en een bygdegårdsförening beheert alle gemeenschapsgebouwen. Onze landsbygd (plattelandsgemeenschap) was jaren geleden een van de eerste in de wijde regio met een coöperatieve glasvezelonderneming. Een goede internetverbinding is ook hier een eerste levensbehoefte, maar commerciële ondernemingen geven logischerwijs prioriteit aan dichtbebouwde gebieden. Dus deden ze het zelf.

De opa van een voetbalmaatje van Acht vertelde hoe hij als lokale, eerstelijns spoedhulpverlener de reanimatie deed toen de 60-jarige boer bij ons in de buurt overleed aan een hartaanval. ‘Dat is zwaar’, vertelde hij. ‘Dan krijg je een adres door en je wéét wie daar woont.’

Dat je elkaar kent, dat is geloof ik wel de essentie van deze plattelandsgemeenschap. Als wij bij de lanthandel inkopen doen gaat het geld niet naar een groot, anoniem bedrijf, maar naar Stina, de eigenaresse. En als wij bij haar blijven kopen blijft de winkel en hoeven we niet twee keer 25 minuten te rijden als we eieren zijn vergeten. Je hebt elkaar nodig.

We zaten bij onze buren te barbecueën in de schaduw van de appelbomen. Zij woonden eerder in een stadje in de buurt. ‘Daar neem je wat sneller voor lief dat dingen er zijn’, zei zij. ‘Er ís gewoon een voetbalvereniging en een gymzaal en een school. En als het er niet is denk je: hoezo regelt niemand dat? Hier zijn die dingen er alleen als we er zelf voor zorgen.’

Dat resulteert in trots, maar ook in wrok. Trots dat men hier met elkaar zoveel voor elkaar heeft gekregen en wrok omdat het gevoel heerst dat het platteland – ondanks overheidssubsidies voor projecten – de afgelopen jaren door de overheid in de steek is gelaten. Net als in Nederland zijn de gemeenten steeds groter geworden en vele kampen met flinke tekorten. Dus die sluiten kleinere, lokale scholen en centraliseren voorzieningen als bibliotheken en zorgvoorzieningen. Slechts enkele christelijke en rechts-conservatieve partijen bleven aandacht vragen voor het platteland. De toekomst lag in de stad, zo leek de consensus.

Maar ik heb hier gezien hoe het platteland een toekomst kan hebben. De afgelopen jaren zijn veel hoogopgeleide jonge ouders teruggekeerd, ooit zelf hier of in een ander buitengebied opgegroeid. Ze werken in de stad, maar hoeven daar door het toegenomen thuiswerken steeds minder vaak naartoe. En daarnaast wonen er veel zelfstandig ondernemers. Die mix van slimme aanpakkers heeft een levendige plattelandsgemeenschap gecreëerd, die helaas een uitzondering is. Voormalige boerderijen zijn nu woonhuizen, maar wel met grote moestuinen en kippen, varkens en een koe. Hier kun je ruimer, goedkoper en rustiger wonen, in een kleinere gemeenschap en zelfvoorzienend leven. Als het gaat om eten dan.

Want hoewel je hier verder uit elkaar woont, sta je dichter bij elkaar. Wij hebben hier veel ruimte gevoeld, maar nooit eenzaamheid. Het heeft me bewuster gemaakt van wat het woord ‘samenleving’ ook alweer betekent. Het zou toch mogelijk moeten zijn om als overheid – ook in Nederland – dit soort gemeenschappen op andere manieren te stimuleren dan door ze uit te kleden.

We zijn voor één jaar naar Zweden gekomen en dus deden we alles voor het eerst én voor het laatst

Fruit uit de natuur waar mogelijk een vos overheen geürineerd heeft smaakt per definitie fantastisch.

Meer over