ColumnThomas van Luyn

Onze kinderen zagen al snel: geen reet te zien, geen fuck te doen

Beeld Aisha Zeijpveld

Wie zijn die mensen, die ’s zomers in een jacht Europa rond tuffen? Ik ken ze niet, en ik ken niemand die ze kent. Tot nu toe, want ik ken mezelf en nu ben ik er een. Deze column wordt al dobberend op een Oost-Duits meer geschreven – formaatje IJsselmeer, want Duitsland is groot. Mijn boot is een roestige bak met een verweerde houten… eh, dat ding dat bovenop zit. Zeg maar een huisje met voor en achter nog wat dek en een vooronder. Een joekel dus. En ik ben de kapitein van de schuit. Althans, mijn vrouw noemt mij zo. Als in: ‘Nog een kopje koffie, kapitein?’ U mag best weten dat er dan een en ander zwelt in en aan mij. Op alle andere boten zag ik dat rolpatroon gespiegeld: man aan stuur, vrouw met drankjes. De man heeft de keuze uit drie kledingtypes: Nautisch (donkere polo met anker en pet), Franse Matroos (blauw-witte streepjestrui en rieten hoed) en Hollands (net wat er boven in de wasmand lag). Vrouwen kiezen uit Ibiza (doorschijnend jurkje met bikini eronder), Duits (korte broek met truitje erboven) of Hollands (wasmand).

In Duitsland mag elke jan doedel blijkbaar zo’n gevaarte huren en besturen. Moet betreffende jan doedel wel eerst in een warm zaaltje twee uur lang theorieles krijgen van een onverstaanbare Oost-Duitser, en vervolgens door een instructeur op het water worden genomen om te leren waar het stuur zit en waar de rem. Mijn leraar heette Eckart, en beweerde dat hij bij de Kriegsmarin had gezeten. Hij loog, óf hij was 100 jaar oud, want de Kriegsmarin is bij mijn weten na de Tweede Wereldoorlog opgeheven (en doorgestart als Bundesmarin en Volksmarin). Het kan ook humor zijn geweest, want Duitsers hebben die wel degelijk. Voorbeeld: ik reserveer bij een restaurant aan het meer, zegt de mevrouw: Holländer? Ik zeg ja. Pakt ze haar pen en zegt ze: dan zal ik dat erbij zetten. Waarop we allebei heel hard lachen. Ja, je ziet het pas als je het snapt. Maar dat geldt voor elke cultuur.

Het meer – zeg maar gerust binnenzee – was goeddeels leeg. Op de oevers geen ligweides of bebouwing, slechts bomen, bomen en nog eens bomen. Onze kinderen zagen al snel: geen reet te zien, geen fuck te doen. Alleen luisteren naar het klotsen van het water en het pietsen van de zwaluwen. OK Boomer.

Om die rust onontkoombaar te maken, had mijn iPhone geen bereik. Google maar: ‘Duitsland, bereik’. Mijn kinderen dachten dat ik een zieke grap maakte toen ik op mijn iPhone wees en zei: ‘Kijk, nul streepjes.’ Ze controleerden hun eigen apparaten en ontwikkelden prompt astma, eczeem en hartritmestoornissen. Ik gaf ze een pak kaarten. Afgrijzen en ongeloof op de gezichten: dus dit was hoe de zombie-apocalyps eruitzag.

De haventjes lagen verscholen in het riet, onzichtbaar vanaf het water vanwege het gebrek aan bebouwing: geen viskramen, geen kroegen, geen disco’s, alleen een steigertje met daarachter een hutje waar de Hafenmeister zetelde. Soms een restaurantje met drie gerechten, soms niets. Wanneer we het achterland in wandelden, troffen we Oost-Duitse boerderijen van hout en leem, met hier en daar een elegant pre-communistisch landhuis. Als de nacht over de haven viel, zaten man en vrouw aan dek zich te vergapen aan de enorme bloedrode volle maan die opkwam, terwijl de kinderen sliepen en de ganzen gakkend overvlogen. En niemand zei een woord. 

Meer over