Essaystoppen met vlees

Onze band met vlees gaat veel verder dan alleen de smaak

Onze relatie met vlees is complexer dan we denken, ondervond Jurriën Hamer. Als je wil stoppen met vlees eten doe je er dus goed aan je vleselijke vervlechting grondig te onderzoeken.

Jurriën Hamer
null Beeld Joren Joshua
Beeld Joren Joshua

Vanaf mijn kindertijd tot vrijdagavond 31 december 2021 at ik vlees. Veel vlees. Ik at rijk gevulde kroketten en sappige burgers. Ik at stoere T-bonesteaks en ouderwets draadjesvlees. Ik at dijen en poten en zelfs een keer een neus. Ik hield zoveel van vlees, dat ik zo nu en dan mijn weerzin tegen de vorm, verpakking en geur van een Bifi-worstje opzij zette, en er een bestelde bij de railcatering. Ik gaf mijn vlees koosnaampjes. ‘Boeufje’, zei ik vaak, en ‘filetje’ of ‘knakje’.

Vlees was zoveel meer dan eten. Vlees was de gangmaker op mijn culinaire feest. Het was de traktatie die ik als kind bewaarde en als laatste opat. Dan kon ik me verheugen op mijn beloning. Dan reserveerde ik één zorgeloze, verrukkelijke minuut alleen met mijn vlees.

Vlees was ook een troost. Ik bezocht eens een vreselijk feestje van pretentieuze en cynische mensen, maar goddank, de gastheer had ook een gigantische Spaanse ham gekocht. Met een scherp mes sneed hij er glanzende, goddelijke reepjes vanaf. Ik stond de hele avond in de buurt van die ham. Na iedere zure opmerking van een van die arrogante types, beet ik de nare smaak weg met een zalig stukje ham.

Die nacht werd ik met een bonkende tand wakker. Ik schrok, begon driftig met mijn vingers te wrikken, en trok een enorme sliert ham achter een kies vandaan. Het was nog steeds lekker.

***

Het heeft jaren geduurd voordat ik ging twijfelen aan mijn carnivore bestaan. Dat ene meisje op de basisschool dat weigerde dieren te eten vond ik vooral vreemd. En toen ik als puber hoorde over de groeiende bioindustrie, en dat het allemaal heel zielig is voor al die dieren, gingen de details langs me heen. Iedere aarzeling drukte ik weg. In mijn gezin aten we nu eenmaal graag vlees. Je had onze barbecues eens moeten zien. Op één zomeravond drie soorten vlees naar binnen harken, was even vanzelfsprekend als een boterham met pindakaas of appelstroop of hagelslag.

Het begon pas te knagen toen ik filosofie ging studeren. Voor het eerst in mijn leven was er geen groepsdruk om zoveel mogelijk vlees te verorberen, maar juist om mijn mededieren te sparen en mijn dieet aan te passen. Tussen de filosofiestudenten, en later de promovendi, zaten heel wat vegetariërs die haarfijn uit konden leggen waarom vlees eten immoreel is. Hebben dieren geen rechten? En waarom hield ik ook alweer vast aan een antropocentrisch wereldbeeld? Ik kon die argumenten moeilijk weerleggen en wauwelde iets over dat dieren in het wild toch ook niet zielig zijn, en die we toch ook elkaar laten opeten. Ik kon mezelf niet eens overtuigen.

Ik begon me steeds schuldiger te voelen en bestelde in het gezelschap van jonge denkers wat vaker een salade. Maar eenmaal thuis lonkten de poten en de worsten weer. Ik bleek in staat mijn wroeging over het eten van vlees te verzachten door nog lekkerder vlees te eten. Vlees werd mijn zondige genot. Het hielp ook niet dat de culinaire tradities uit mijn gezin naadloos aansloten op de fenomenale kookkunst van mijn partner. In het weekend konden er zomaar versgemaakte saucijzenbroodjes op de keukentafel staan – en weg waren mijn vrome filosofische gedachten.

Op mijn dertigste at ik nog steeds bijna dagelijks vlees. En nog stééds durfde ik de feiten niet werkelijk onder ogen te zien. Ja, ergens wist ik wel dat het eten van vlees een systeem in stand houdt waarin miljarden dieren een ellendig bestaan hebben. Maar ik, nota bene een gepromoveerde jurist en filosoof, wilde het niet écht weten. Ik was bang dat áls de werkelijkheid van al die kippen, varkens, schapen en koeien tot me door zou dringen, ik geen vlees meer kon eten. En daar kreeg ik bij voorbaat buikpijn van.

Toch kon ik mijn schuldgevoelens steeds moeilijker onderdrukken. Na het eten van een berg kip voelde ik me vies en slecht, als een alcoholist die ’s ochtends na een nacht drinken walgt van zichzelf. Het vlees had me weer in verzoeking gebracht. Mijn idealen hadden weer een wedstrijdje wilskracht verloren.

In alle eerlijkheid: deze emotionele omslag was niet toe te schrijven aan een opbloeiende liefde voor het dier. Al mijn leven lang boterden dieren en ik alleen als zij dood waren en ik ze opat. Honden vreesde ik, katten maakten me nerveus en ik schrok al terug van een onrustig bokje op de kinderboerderij.

Maar bovenop de dierenellende kwam de klimaatellende. De ecologische prijs van de vleesindustrie is afschuwelijk hoog, van de broeikasstront van koeien tot al die kostbare grond die gebruikt wordt om veevoer te verbouwen. En dat argument resoneerde niet alleen met mijn verstand, maar ook met mijn hart. Ik was er vast van overtuigd dat de moderne mens haar hand heeft overspeeld, en dat matiging het enige antwoord is. En dat betekende ook dat ik dierbare zaken op moest geven. Zoals het eten van dieren.

***

Ik had graag opgeschreven dat dit besef genoeg was. Dat de innige band tussen mij en het vlees met zulke krachtige argumenten eindelijk doorgesneden kon worden. Maar dat was niet zo. Mijn verlangens lieten zich niet zomaar ketenen. Ze fluisterden dat het al best goed was om flexitariër te zijn, en dat ik heus niet hoefde te stoppen. Ik zou gewoon vier dagen vega eten, en de rest vlees.

Maar dat werkte niet. Mijn zucht naar vlees wachtte op het juiste moment, en viel de vegadagen binnen. Er voltrok zich een blitzkrieg van broodjes pulled beef en filet americain, van stiekeme kroketjes en meegesnoepte bitterballen. Bovendien vond ik vleesvervangers gewoon goor. Neppe kipstukjes en valse schnitzels – het waren net coverbands die je favoriete nummer verprutsen en je intens doen verlangen naar het origineel.

Ondanks mijn rationele argumenten, ondanks mijn emotionele walging, tóch was het vlees nog sterker dan ikzelf. Om er vanaf te komen was een andere strategie nodig, een andere manier van denken. Het was tijd, allang tijd, om compleet te stoppen met vlees. Maar hoe kon ik die diepgevoelde intentie omzetten in een vegetarisch bestaan? Hoe kon ik mijn zondige, smerige relatie met vlees eindelijk uitmaken?

Op mijn 33ste, na dertig jaar vleesconsumptie en dertien jaar schuldgevoel, deed ik een laatste, ultieme poging om het vleselijke juk van me af te werpen. Ik kondigde aan vanaf 1 januari 2022 geen vlees meer te eten. En de weken daarvoor gingen mijn partner en ik op afscheidstournee. We zouden in het gezelschap van familie en vrienden nog één keer ál het vlees eten waar we naar verlangden. Een groots afscheid voor een groots genot.

En, zo geschiedde. Er was een avond ter ere van de kroket, en één ter ere van de cheeseburger. We gingen nog een laatste keer broodjes halen bij de slager en een saucijzenletter bij de bakker. We aten met kerst zoveel boeuf bourguignon als onze magen konden verteren. En op oudjaarsavond pakten we nog één keer uit: samen met vrienden stopten we een hele kip in de oven, en sabbelden we nog één keer aan zijn dode pootjes.

Toen ik het finale schouwspel van botjes en vette stukjes vel overzag, werd ik niet langer overspoeld door schaamte. Ik voelde me koud van binnen. Want ik wist, zoals ik dat nooit eerder had geweten, dat dit de laatste keer was geweest.

null Beeld Joren Joshua
Beeld Joren Joshua

***

Nu, een maand later, denk ik dat het gelukt is. Iedere verslaafde weet dat je een terugval nooit helemaal kan uitsluiten, maar het vlees en ik zijn klaar met elkaar. Terwijl ik dit schrijf, gaat er een zucht van verlichting door me heen, gepaard met een gevoel van verwondering. Want waarom slaagde mijn plannetje nu wel? Waarom is de begerige draak waar ik jarenlang tegen vocht ineens verslagen? Ik stuit op een tamelijk filosofische vraag: hoe veranderde ik mijn leven?

Eén ding weet ik zeker: het is nooit een kwestie van gewoon kiezen. Levensveranderende keuzes ontstaan niet zomaar, maar komen ergens vandaan. Ze kennen een voorgeschiedenis, een historie, met allerlei omstandigheden die de uitslag bepaalden. Ik denk dus dat de afscheidstournee mij in de juiste omstandigheden bracht.

Allereerst vanwege de sociale druk. We kondigden de tournee met enthousiasme aan, en wezen onze naasten er voortdurend op dat dit onze laatste stamppot met spek was, en dat ons laatste borrelworstje. Onze allerlaatste vleselijke gang was een door vrienden voorbereid ritueel, waar zij de getuigen van waren. Als je na zoveel heisa en grote praatjes niet stopt, sla je een modderfiguur.

Bovendien genoot ik al een beetje van mijn morele superioriteit. Ik vond het erg lekker om, alleen al door de juiste belofte te doen, me eventjes een beter mens te voelen dan mijn vleesetende kennissen. Ik keek er met name naar uit om bij mijn ene prekerig-veganistische vriend langs te gaan, en hem eindelijk als medestrijder de hand te schudden.

Ten slotte was de afscheidstournee een feestelijke manier om te stoppen. Ik werd altijd zo sip van de gedachte dat ik, zo’n harde werker en zorgzame vader, ook al geen vlees meer mocht eten. Alsof ik naast alle stress en slapeloze nachten niet genoeg ellende doorstond. Maar van een afscheidsfeest werd ik blij. Vlees en ik konden dan niet als vijanden uit elkaar gaan, maar misschien wel als vrienden. Ik vond het fijn om tegen vlees te zeggen: boeufje, we hebben een mooie tijd gehad samen, maar nu is het wel welletjes geweest.

Gevoelig voor peer pressure, ijdel en vol zelfmedelijden, vond ik een uitweg.

***

Het is natuurlijk nog vers, maar ik voel me niet echt een vegetariër – terwijl ik dat technisch gezien wel ben. Ik kijk nog steeds een beetje op tegen de gewetensvolle medemensen die al veel eerder stopten met vlees en geen afscheidstournee nodig hadden. Die principiëler in elkaar staken en met gemak de slager de rug toekeerden.

Maar als ik om me heen kijk, vermoed ik dat deze helden zwaar in de minderheid zijn. Nog altijd heeft nauwelijks 5% van de Nederlanders het vlees definitief afgezworen. En dat terwijl we in een ideale wereld niet alleen allemaal vegetariër zouden zijn, maar zelfs veganist. Ik vermoed dat de meeste mensen zijn zoals ik was: verslingerd aan de geneugten van vlees. En misschien, heel misschien, eten zij hun broodje kroket ook met een knagend schuldgevoel. Misschien willen zij ook wel een keer stoppen, en weten ze dat het tijdperk van de vegetariër al even geleden is begonnen. Misschien zijn ze net als ik niet vatbaar voor een vermanende donderpreek, maar is er wel degelijk een oplossing.

Ik weet niet of ze ook op afscheidstournee moeten. Wat voor mij werkte, werkt wellicht niet voor hen. Maar onze band met vlees gaat veel verder dan de smaak. Het is complexer met ons vervlochten. Dus onderzoek je vleselijke vervlechting - dan kom je er misschien vanaf.

Jurriën Hamer is filosoof, jurist en auteur van Waarom schurken pech hebben en helden geluk: een nieuwe filosofie van de vrije wil (De Bezige Bij, 2021).