Column

Ongehoorzaam maar herkenbaar

Hoe je je in iemand uit Oegstgeest met een slecht rapport toch kunt herkennen.

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

De eerste keer dat ik Jan Wolkers ontmoette, was in een boek. Een jaar of 11 moet ik zijn geweest. Dat boek stond in de eikenhouten boekenkast van mijn vader met de leeuwenkopjes en de glazen deuren. De jaren daarvoor was ik aan het lezen verslaafd geraakt door de jeugdboeken van mijn vader. In De scheepsjongens van Bontekoe van Fabricius en Jan van Beek van J.B. Schuil ging ik steeds opnieuw kopje onder.

Ik herinner me dat ik eens, ver na bedtijd, Jan van Beek lag te lezen. Plotseling hoorde ik mijn moeder de trap opkomen. Snel wilde ik het lampje naast mijn bed uitknippen, maar brandde mijn vingers aan het ijzeren plaatje voor de lamp, dat gloeiend heet werd na te lang gebruik. De tranen stonden in mijn ogen. Niet van de hitte van het lampje, maar van het boek.

In de kast van mijn vader stonden ze achter de spiegeling van het glas streng in het gelid: De donkere kamer van Damocles in een zwarte linnen band, de reuzenpocket van Het stenen bruidsbed en een boek met fel opvlammende blauwe letters: Terug naar Oegstgeest.

De titel intrigeerde me. Oegstgeest lag op de spreekwoordelijke steenworp afstand van waar wij woonden. We reden er wel eens doorheen als we uit Leiden naar zee reden, maar uitstappen deden we nooit. Wat was er in dat dorpje aan de hand? Vanaf de eerste zinnen van Terug naar Oegstgeest werd ik de wondere Wolkers-wereld ingezogen.

Diep verbonden voelde ik me met het jongetje in het boek, ook al leek hij in niets op mij. Ik vreesde de toorn van mijn vader niet. Op mijn billen stonden geen striemen van de gesel Gods. En mijn moeder was niet 'zo listig als een slang'. Mijn ouders waren - en zijn - zachtmoedige, goddeloze lezers. Net als ik. Op de lagere school werd ik, omdat ik een boekenwurm was en een van de beste jongetjes van de klas, op mijn bek geslagen - wat overigens onmiddellijk ophield nadat ik mijn grootste plaaggeest een bloedneus had gemept.

De kleine Jan Wolkers was, net als Jan van Beek bij J.B. Schuil, een echte kwajongen. Druk, grote mond. Trok op het schoolplein een roze korset aan dat hij in een vuilnisbak had gevonden en stak een stokje in de pijp van een meisjesonderbroekje. Jan van Beek werd door zijn streken van de hbs naar de kostschool van 'Buikie' gestuurd, terwijl Jan Wolkers nu juist graag naar de hbs had gewild, maar door 'de Papegaai' er niet werd toegelaten. De hoofdonderwijzer vond de mulo wel hoog genoeg voor een jongen uit een straatarm kruideniersgezin.

In Jans rapport van de derde klas van de Leidsche Houtschool op Gereformeerde Grondslag staat te lezen: 'Jan is lui en ongehoorzaam. De laatste weken is er enige vooruitgang merkbaar.' In het tweede rapport: 'Jans gedrag is wat beter, maar zijn vlijt is nog niet groot.'

Daar zat ik dan, vlijtig, me van geen kwaad bewust, het leven van een onhandelbare gereformeerde jongen te verslinden. Ik herkende alles in Oegstgeest zonder er ooit echt te zijn geweest. En ik wilde er telkens naar terug.

Onno Blom werkt aan de biografie over Jan Wolkers. Voor V hield hij
daarover een dagboek bij - waarvan we in zoveel delen de notities
presenteren.

undefined

Jan Wolkers Beeld Annabel Miedema
Jan WolkersBeeld Annabel Miedema
Meer over