OpinieDuurzame energie

Om windmolenterrorisme te voorkomen moet de ‘pijn’ eerlijk worden verdeeld

Een eerlijke energietransitie vraagt om Green Deals in de regio, betoogt Bram van den Groenendaal. ‘Verdeel naast het zuur ook het zoet.’

Windmolen bij Eerste Exloërmond, de eerste in de Drentse Veenkoloniën.Beeld Harry Cock

Na het warmste decennium ooit gemeten, lijkt de tijd langzaam maar zeker rijp te worden voor nog nooit vertoonde klimaatmaatregelen. De Europese Commissie komt met een Europese Green Deal van 1.000 miljard euro. Toch wordt het nu pas echt spannend. Want waar moeten al die investeringen in windmolens, zonnepanelen en infrastructuur straks landen?

In Nederland legt het klimaatakkoord de verantwoordelijkheid hiervoor – mede vanwege het draagvlak – voor een belangrijk deel neer in ‘de regio’. Nederland is hiervoor opgesplitst in dertig regio’s die elk een zogenoemde Regionale Energiestrategie (RES) moeten opstellen. Dit jaar moet blijken in hoeverre elke regio kan bijdragen aan de nationale doelstelling. In essentie is de RES dus een verdelingsvraagstuk.

Windmolenterrorisme

Dit is een complexe puzzel. Enerzijds begrijpt iedereen dat ‘de pijn’ eerlijk verdeeld moet worden, willen we situaties zoals het windmolenterrorisme in de Veenkoloniën voorkomen. Anderzijds is het vooral voor stedelijke gemeenten onmogelijk om het energievraagstuk zelf op te lossen. Een belangrijk deel van hun energievraag zal opgewekt moeten worden in de omliggende gemeenten.

Maar zeg nou zelf, er zijn maar weinig gemeentebesturen die thuis gaan uitleggen dat ze grootschalig energie gaan opwekken voor de buren. Daarbij komt dat de regio geen democratische en juridische doorzettingsmacht heeft. Dat gemeenteraden straks bij monde van de RES gevraagd wordt om zonder tegenprestatie extra energie op te wekken voor een andere gemeente is op zijn zachtst gezegd naïef te noemen. Een essentiële vraag is daarom: hoe maken we het voor gemeenten aantrekkelijk om meer duurzame energie op te wekken dan strikt noodzakelijk? Want zoals een gemeenteraadslid tegen me zei: ‘Ik ben niet tegen windmolens, maar ik moet het wel kunnen uitleggen.’

Het antwoord ligt verscholen in de doelstellingen van de Europese Green Deal, die ‘de weg moet banen voor een eerlijke en sociale energietransitie, die ondanks de grote transformatie zal zorgen dat geen persoon of regio achterop raakt’. Ook de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) zegt in een onlangs verschenen rapport dat een samenhangende visie onontbeerlijk is. Dit zou ook de opgave voor de RES moeten zijn. Want hoewel de huidige opzet van harde cijfers en berekeningen de basis is, biedt een bredere deal over de toekomst van de regio een veel uitnodigender kader om te handelen: een Regionale Green Deal. Deze bevat drie elementen.

Verbindend

Allereerst moeten we niet werken aan een opdracht, maar aan een verbindend verhaal. ‘We vinden het ook niet leuk, maar het moet nu eenmaal’ – met dit argument waren de Deltawerken er ook nooit gekomen. Het is daarbij belangrijk mensen niet altijd aan te spreken met feitelijkheden of op hun eigen gedrag, maar op hun trots en onderlinge verbondenheid. Die combinatie is veel krachtiger, dat heeft onze geschiedenis op mooie momenten laten zien.

Daarnaast moeten de cijfers verrijkt worden met een ruimtelijk perspectief. Zo niet, dan is de kans groot dat de RES een confetti aan windmolen- en zonneparken gaat opleveren, zo betoogde het College van Rijksadviseurs onlangs. Naast een kwantitatieve verdeling zijn er daarom ook kwalitatieve afspraken nodig. Geen blauwdruk, maar een strategie die verkent welke kansen de energietransitie biedt voor bijvoorbeeld de opwaardering van jaren zeventig- en tachtigwijken, duurzame landbouw, betere mobiliteit of woningbouw.

Zoet

Als laatste moet met het zuur ook zoet te verdelen zijn. Tegenover een grote bijdrage aan verduurzaming van de regio zou een vorm van (financiële) compensatie moeten staan. Afspraken over grootschalige opwek werken zo twee kanten op, zoals bij elke deal. Dit is tot op heden een heet hangijzer dat nog maar weinig aandacht heeft gekregen. Het Rijk zou hier een grotere rol in kunnen spelen. Zo is het interessant om te kijken naar het ‘Just Transition Mechanism’ dat de EU nu voorstelt, waarmee er extra investeringen gaan naar regio’s die harder worden geraakt door de transformatie naar een groene economie. Door de taart groter te maken opent zich een heel nieuw perspectief, waarin baten en lasten dichter bij elkaar komen. Belangrijk ook is dat dit een uitnodiging kan zijn aan andere regionale partijen, zoals bedrijven of instellingen, om mee te investeren.

Komend jaar wordt dus een lakmoesproef voor regionale samenwerking. De RES is wat betreft de stedelijke en regionale energietransitie de belangrijkste plek om afspraken te maken, maar het ontbreekt aan de voorwaarden om te handelen in het regionaal belang. Als we echt tempo willen maken zonder het draagvlak daarvoor te veel op de proef te stellen, dan moeten we werken aan een eerlijk verhaal. We moeten de Regionale Energiestrategie verbinden met sociale en economische waarden en omvormen tot een Regionale Green Deal, die van een pijnlijke verdeling een eerlijke en verleidende investeringsagenda maakt.

Bram van den Groenendaal is adviseur en projectleider bij bureau Ruimtevolk

Meer over