Columnpeter middendorp

O, wat moet dat boek af, niet normaal

null Beeld
Peter Middendorp

Er is van alles aan hand in de wereld, inflatie, gastekort, Rusland, China, corona, altijd corona, en de bestrijding van de pandemie, te laat, zonder plan, met allemaal onnodige slachtoffers, die ons vast een voorproefje geeft van hoe er straks zal worden gereageerd als de klimaatverandering daadwerkelijk toeslaat, een amuse-gueule bij de ondergang.

Maar ik heb geen ruimte in het hoofd om me over wereldlijke zaken te buigen, want mijn boek moet af. O, wat moet dat boek af, niet normaal. Nooit eerder zag ik een boek dat zo nodig af moet. Ik peins, pieker, panikeer, mijn blikveld is een schootsveld. De boekhouder belt: Waar blijven je spullen van 2020? Ik roep: Zeg tegen de Belasting dat mijn boek af moet! Dat begrijpen ze heus wel, ze zijn daar niet gek!

Eigenlijk hoef ik nog maar één zin, één regel. Zo gepiept, zou je zeggen, maar het is de eerste zin, de belangrijkste van allemaal. Ik heb een huis zonder voordeur gemaakt. Prima huis, op zich, er vallen maar slechts af en toe wat losse onderdelen vanaf, maar onpraktisch – je komt niet binnen. Hoe krijg ik alsnog een voordeur in mijn huis zonder de blinde gevel te slopen, zonder instortingsgevaar?

Eerst had ik wel een begin; ik ben daar, in zekere zin, mee begonnen. Maar kort geleden heb ik die omwille van het geheel naar het midden verplaatst, opgeofferd aan het teambelang. Daar staat-ie nu tussen de andere middenstukzinnen, triest en treurig, als een kind dat vlak voor de première de hoofdrol in de eindmusical is ontnomen.

Nu loop ik heen en weer. Nog veel meer zit ik op een stoel, rechtop, buiten, om mijn grote, warme hoofd te koelen aan de frisse lucht. Nooit krijg ik een idee omdat er nog maar één liedje door mijn hersenen gaat: ik weet het niet, ik weet het niet, bis, bis bis. De tijd tikt, als een spookrijder komt de deadline op me af. Onvermijdelijk komt het moment dat tijd en deadline op elkaar botsen, met mij ertussenin.

Ik zou tien bier moeten drinken, dat zal de zenuwen leren, maar ik weet niet of ik daar nog tegen kan. Vroeger, ooit, jaren negentig, de geschiedenis was net afgelopen, kreeg ik altijd onweerstaanbaar veel zin om te schrijven als ik had gedronken. Zo is het ook mijn beroep geworden. Misschien had dat niet gemoeten, want sindsdien is het andersom.

Beter nog zou ik naar buiten gaan, de openlucht in, the great outdoors. Wie weet hangen de bomen vol pasklare oplossingen, klaar om als overrijpe vruchten in mijn nek te vallen en via de kraag, tussen de schouderbladen door, naar beneden te glijden, en roep ik straks wel alle dieren uit hun winterslaap: Eureka, gatverdamme!

Komend jaar heb ik tijd en rust voor alles en iedereen, maar nu niet, dat snapt een kind – allereerst moet ik broodnodig een nieuw begin.

Meer over