ColumnKatinka Polderman

Nu ik het minder druk heb met mezelf, is meneer de Potter er niet meer. Hij is zelf geschiedenis geworden

Om redenen die waarschijnlijk nooit opgehelderd zullen worden denk ik de laatste tijd regelmatig aan meneer De Potter, mijn geschiedenisleraar op de middelbare school. In mijn herinnering droeg meneer De Potter altijd een colbertje met bescheiden bruin-beige ruit en van die elleboogstukken, zijn restje haar had hij bovenlangs de schedel gekamd. Als een antiquair die weleens in Britse heuvels ging jagen, zo zag hij eruit.

Meneer De Potter leek een wat stoffig heertje, maar zodra hij begon te vertellen over de val van Troje of de opstand van de Bataven lichtten zijn ogen op en was het alsof hij er zelf bij was geweest, niet alleen voor ons, maar waarschijnlijk ook voor hem. Daarnaast kon hij de naam Ruijs de Beerenbrouck fantastisch uitspreken: Rrruijs! [pauze] de Beerenbrouck. Eenzelfde soort muzikaliteit legde hij in de naam Grrroen! van Prinsterer.

In zijn vakanties reisde hij in zijn eentje naar verre buitenlanden. In het Goes van de jaren negentig was dat vrij excentriek: veel verder dan Frankrijk kwamen de meesten niet.

Wanneer we geen zin hadden in echte les – meestal dus – vroegen we voorzichtig naar zijn reisbelevenissen. Dan vergat hij de rest van het lesuur dat er een boek was dat de leidraad moest zijn voor de lessen. Het hoefde maar een kleine inhaker te zijn.

‘Via Italië veroverden ze...’

‘Meneer, bent u wel eens in Italië geweest? Dat was vast niet zo mooi als Peru, hè?’

En dan stak meneer De Potter van wal, over zijn bezoek aan Machu Picchu, over de prachtige stad die daar ooit boven op die berg gestaan moest hebben, over het machtige uitzicht, de boeiende beschaving die ten onder was gegaan, de Spanjaarden. Wij, klootzakjes, wisten dat er over meneer De Potters reis beslist geen so zou komen, dus luisteren zou ons niets opleveren. Terwijl meneer De Potter het ene na het andere kleurrijke detail opdiste, verloren wij ons in gemijmer over tongzoenen in groezelige stegen, blijmoedig drugsgebruik en kroegbezoek. Met een kwart oor luisterden we naar zijn relaas, zodat we af en toe kleine vragen konden stellen om hem op gang te houden tot de bel.

Dat het zo’n lieve, belezen man was, dat hij dit vak had gekozen uit liefde voor de grote en kleine verhalen uit de geschiedenis en de geestdrift die te delen, dat zagen wij niet. We hadden het te druk met onszelf. En nu ik het wat minder druk heb met mezelf, is meneer de Potter er niet meer. Hij is zelf geschiedenis geworden, met al zijn kennis en zijn hoofd vol verhalen. Zonde, want ik zou eigenlijk wel weer eens behoefte hebben aan een lang gedetailleerd verhaal over de Hugenoten of de ontdekking van Machu Picchu.

Meer over