ColumnPeter Buwalda

Normaal springen de gelukstranen me in de ogen als ik de pakketbezorger zie, maar Don Henk kwam ertussen

‘Don’ Henk is in aantocht. Zijn Opeltje stopt voor de woonstee, daar klimt hij al tevoorschijn. Met een ruk draai ik me om, de koffie klotst uit mijn beker.

Wij hebben brave ramen, mag ik wel zeggen, als je buiten staat zijn het spiegels. Maar soms, bij een bepaald soort bewolking, zijn ze stout, dan kun je dwars door ze heen kijken.

Het zou wel passen bij ‘Don’ Henk en mij, dat er precies nu van die klotewolken hangen. In dat geval heeft hij me dodelijk geschrokken zien wegdraaien, alsof hij nog een ton van me krijgt, of zo. Of erger: dat ik hem niet heel erg mag.

Waarvoor de ‘Don’ komt, is 100 jaar Onze Buurt. Henk ís Noord, Noord is Henk. Al vele keren heeft hij de plannen uiteengezet, op straat, in de dakgoot, telefonisch. En toegegeven, de tijd begint te dringen. Nog maar een klein jaar. Dan moeten er wagens gaan rijden, en is er een volkszanger, en waarschijnlijk ook Peter Faber.

‘Niet Jan Akkerman?’, hoor ik Jet vragen. Gelukkig zit zij buiten, als buffer.

‘We zijn nu bezig met Peter’, hoor ik ‘Don’ Henk zeggen. ‘Ben jij de vrouw?’

‘De vrouw?’

‘Van je man. Is hij er?’

Die hurkt achter het kookeiland. Als Jet me komt roepen, steek ik mijn kop om de vaatwasser. ‘Zeg dat ik aan het bellen ben!’, sis ik met mijn telefoon aan mijn oor.

Ik hoor ‘Don’ Henk zeggen dat hij wel even wacht. Hij kan ook heel goed schrijven, zegt hij, de mensen zeggen altijd dat hij ook eens een boek moet schrijven. ‘Misschien gewoon doen’, antwoordt Jet. ‘Mij niet gezien’, klinkt het kribbig, ‘ik doe alleen leuke dingen.’

Puntje voor de ‘Don’.

Ik rook die ouwe uit. Kan makkelijk, zo vlak bij de ijskast. Helaas zie ik vanuit mijn schuilplaats de pakketbezorger arriveren. Normaal springen de gelukstranen me in de ogen, vrienden, maar nu even niet. De achterdeuren zwaaien open, mijn held tilt een enorme dichtgeplakte doos tevoorschijn. Overduidelijk de eerste drukjes waarvoor ik zal moeten tekenen.

Ondertussen slaat ‘Don’ Henk dreigende taal uit. ‘Waar is de kabouter?’, informeert hij.

Sja, dat weet Jet niet, heb ik verzwegen om haar wat geborgenheid te bieden. Op een ochtend stond hij voor de deur, een knoeperd met een schep. Bleek verband te houden met de braderie waarop ik ‘uit liefde voor de Buurt’ moest voordragen. Kon ik maar beter gewoon doen, benadrukte Henk. De vraag is welke stappen volgen. Een clown met een waterpistool? ’s Nachts?

De pakketbezorger belt aan. Nu wordt het tricky. Watertandend denk ik aan de doos. Vele, vele boeken zitten erin. Als ik nog langer achter ons kookeiland blijf liggen, verdwijnen ze keihard weer in het busje. Nooit was tweestrijd grimmiger, lezer.

Nee toch? Wel degelijk. Ik voel mezelf toch echt opstaan, en de hal inlopen. Sterker, ik open de voordeur. ‘Goeiesmiddags’, roep ik tegen mijn grote vriend.

‘Don’ Henk en Jet kijken opzij. Ze zien me over de drempel stappen, de zomerlucht inhaleren, heerlijk, heerlijk. Ik teken. ‘NIET OPZIJ KIJKEN’, zegt mijn innerlijke bibliofiel. ‘DOORPAKKEN.’

‘Zo-zo, zware jongen hoor’, zeg ik opgeruimd. ‘Dank maar weer, hè, werk ze nog, hè. Dag hè. Tot snel weer, hè.’

 Zedig sluit ik de deur, en zeul de doos naar de plee, waarom ook niet.

Meer over