ColumnPeter Middendorp

Nog even zag ik mijn vader in dat zieke lichaam, voordat hij voorgoed vertrok

null Beeld de Volkskrant
Beeld de Volkskrant

In de weken voor Kerst denk ik aan mijn vader. Kort voordat hij stierf, zo’n anderhalf jaar geleden, leek het opeens toch weer goed met hem te gaan, iets beter. Zo gaat het vaker, is me nadien opgevallen. Vlak voor de definitieve nekslag verschijnt er vaak nog even een sprankje hoop aan het firmament, als een boodschapper van het onheil.

Op het ziekenhuisbed lag een lichaam dat dood had kunnen zijn, maar waarin, ergens diep van binnen, mogelijk nog een werkend deel, een wakende kern van mijn vader aanwezig was. De grote vraag was: was hij er wel of was hij er niet? Je kreeg er geen goed antwoord op, of eigenlijk twee verschillende. Bij pijn kon je er zeker van zijn dat hij niks meekreeg, bij lieve dingen kreeg hij alles mee.

‘Hoor je me?’, zei ik. ‘Als je me hoort, knijp je dan in mijn hand?’ En verdomd, hij deed het. Er was contact gelegd met mijn vader, die daar zo akelig in zichzelf verborgen lag. Vreemd contact. Uit het diepe, het ongerijmde, leek het wel. Contact met de andere kant van het bewustzijn, als die tenminste bestond.

Even probeerde hij ook boven te komen, naar de oppervlakte – een onderarm bewoog, de onderkaak, een schouder. Zachtjes moedigde ik hem aan, hij was er bijna, nog een klein stukje verder en hij kwam waarschijnlijk al binnen het bereik van mijn uitgestoken armen, klaar om hem op het droge te trekken.

Ik zag ineens weer een vader. Hij klaagde weleens als hem iets mankeerde, hij kon zich met heel zijn lijf en wezen concentreren rond een splinter in zijn voet. Ik kon me daar geweldig aan ergeren. Maar straks, als hij weer eenmaal boven water was, zou hij ook echt iets te klagen hebben. Er zou meer evenwicht zijn tussen de man en de werkelijkheid, de vader en de zoon, meer vrede misschien.

Ik zag ineens een ándere vader. Niet langer dat mobiele en actieve en met het mondje open de hele tijd – want daar werd je helemaal gek van. Nee, nu een vader die zuinig moest omspringen met zijn energie. Eentje die je in een rieten stoel achter het huis kon zetten, bij goed weer dan – in de lage winterzon, met uitzicht op de tuin, de es daarachter, het waterwingebied.

‘Mooi, hè’, kon je dan tegen hem zeggen. En: ‘Zit je goed? Ja? Rechtop genoeg? Je glijdt er niet uit als ik me omdraai? Wil je anders een kussentje in je rug? Nee? Ja?’ Je moest wel duidelijk praten, luid genoeg, anders verstond hij je niet. ‘Heb je het warm genoeg? Vries je niet weg? Wil je een dekentje? Zal ik een dekentje voor je halen?’

En hij zou knikken of schudden, zeker wist je het niet en je had ook veel te veel vragen gesteld, maar dat maakte niet uit, je ging er toch wel eentje halen.

Meer over