COLUMNSHEILA SITALSING

Niet verbonden met eilanden in Caribische Zee? Júllie hebben ons er verdomme bij gesleept

.Beeld .

Middenin het moddergevecht over Europese solidariteit sprak Angela Merkel de woorden ‘Tijden van crisis zijn altijd een worsteling, tijden van opkomen voor een idee.’ Opkomen voor een idee, in Merkels geval ‘het idee Europa’: het is haast ouderwetse taal, taal die pas klinkt wanneer het erop aankomt, wanneer de watjes van de moedigen worden gescheiden, wanneer echte leiders het podium pakken.

In de Nederlandse politiek wordt zelden opgekomen voor een idee. In het land van zuinigheid als deugd is de bange vraag al snel wat zo’n idee wel niet moet kosten.

Zoals het idee Koninkrijk. Het idee dat Nederland deel is van een geheel, dat er eilanden bij horen in de Caribische Zee, toegeëigend voor de kaapvaart. Gebieden die sindsdien bij de familie horen, want júllie hebben ons er verdomme bij gesleept. Het idee van lotsverbondenheid.

Sinds Nederland wordt geleid door kabinetten die Groningen en de problemen daar al vreselijk ver weg vinden, is er geen politicus meer die nog opkomt voor het idee Koninkrijk of die met warmte spreekt over Curaçao, Aruba of Sint Maarten. De Tweede Kamer raakt over haar toeren als er een tientje te veel naar de West gaat en roept aldoor ‘Ja maar corruptie!’ – een begrip dat staatssecretaris Raymond Knops graag herhaalt en dat hij goed kent uit Limburg.

Terwijl: de problemen die de eilanden nu bezoeken zijn niemands ‘schuld’. Een stilgelegde olieraffinaderij na de implosie van Venezuela en de olieprijs, een weggevaagde toerismesector na een lockdown, kapotte infrastructuur en huizen na een orkaan, het zijn rampen die van buiten kwamen.

Terwijl: Curaçao heeft eindelijk een premier die het fatsoenlijke probeert te doen, met één hand op de rug gebonden. Eugene Rhuggenaath erfde een modderpoel van wanbestuur – aangericht door de vorige premier Schotte. Hij moet laveren tussen agressief Venezuela, expansief China, Latijns Amerikaanse drugsbendes, en een Nederlands kabinet dat praat over de eilanden als een man die zijn buitenvrouw te duur vindt worden.

Op een eiland van 160 duizend inwoners kampt Rhuggenaath met grensoverschrijdende drugscriminaliteit, Venezolaanse vluchtelingen, een virus, en moet hij een sociaal vangnet optuigen voor de vele nieuwe werklozen. Ondertussen doet de oppositie, waar onfrisse partijen in zitten met criminele banden, alles om de regering te destabiliseren en de bevolking op te hitsen. In deze giftige cocktail konden rellen en brandstichtingen ontstaan.

Nederland sprong bij, op z’n Nederlands. Met eisen voor loonkortingen van 12,5 procent (door Rutte opgewekt ‘hervormingen’ genoemd) op een moment dat het broeide en kolkte. Alsof je een drenkeling toeroept ‘als je eerst op zwemles gaat, krijg je een reddingsboei’.

Deze vrijdag praat de Rijksministerraad opnieuw over hulp. Prominenten, onder wie Nout Wellink en Hans de Boer, verzoeken nu per brief om redelijkheid. Kernzin uit de brief: ‘Stel veilig dat bij de volgende verkiezingen iedereen de solidariteit en rechtsstatelijkheid van de koninkrijksbanden op hoge waarde weet te schatten’. Want laat Rhuggenaath nu vallen, en de criminelen komen er aan de macht.

Iemand appt me uit Curaçao: ‘Waarom vragen ze niet aan elkaar: Eugene, wat heb je nu het hardst nodig om overeind te blijven, Mark, wat heb jij nodig om het verkoopbaar te maken? Rutte snapt niet dat hij ons uitlevert aan de heidenen.’ Ik hoop vurig dat hij het inderdaad ‘niet snapt’. Want het alternatief – het boeit hem matig – is erger.

Meer over