ColumnIbtihal Jadib

Neem je ouders eens mee naar het museum, zeiden ze

null Beeld Aisha Zeijpveld
Beeld Aisha Zeijpveld

Ik ben sinds een jaar of twee de trotse bezitter van een Museumkaart. Zelf was ik er nooit op gekomen zo’n ding aan te schaffen, want zo vaak kwam ik niet in musea, maar een vriendin wees me erop in een gesprek over trucs om zo min mogelijk tijd met de kinderen in huis opgescheept te zitten. Dat klinkt onaardig, maar als je maar lang genoeg met een paar kleuters binnen vier muren verblijft, word je dat vanzelf. Het is dus zaak geregeld de onvolgroeide huisgenoten uit te laten, niet alleen voor hun eigen gesteldheid maar vooral voor die van de ouders. Mijn vriendin verzekerde mij succes met de Museumkaart, waarop ik er meteen drie bestelde. Sindsdien waai ik met mijn kinderen van het ene museum naar het andere, kirrend en blij. Ik wil nooit meer zonder.

Een paar weken geleden kwam er een brutale gedachte in me op: zou ik mijn ouders niet een keer meenemen? Die hebben in al die jaren hier in Nederland nog nooit voet gezet in een museum, en kijken me altijd een beetje glazig aan als ik ze weer eens vertel over een leuk bezoek. Gelukkig ben ik in ons gezin de rare spruit, dus zijn ze wel wat fratsen van me gewend. Anticiperend op de bezwaren dat het eng, duur en saai zou zijn, bracht ik het voorstel als een feestelijke uitnodiging: ‘Ik haal jullie op, regel de kaartjes en leid jullie rond, dus er kan werkelijk niets misgaan.’ Mijn zusje keek geamuseerd toe terwijl mijn moeder verbouwereerd naar woorden zocht: wat zou een eenvoudige vrouw als zij te zoeken hebben in een deftig museum? Ik verhoogde de inzet: ‘Het hoeft niet lang te duren en daarna neem ik je mee naar de hamam.’ Daarop kwam instemmend gebrom, dat begon ergens op te lijken. Mijn vader trok haar over de streep, want die wilde eigenlijk ook wel zien waarover ik het had. Vervolgens wees hij streng naar mijn zusje: ‘En jij gaat ook mee.’ Ze keek me vernietigend aan.

Zo stonden we een week later in Naturalis. Ik had bedacht dat een museum over het leven op aarde toegankelijker zou zijn dan een kunsttentoonstelling waar mijn ­ouders naar verfijnde penseeltechnieken zouden moeten staren. Het bleek inderdaad een succes, want met al die machtige dieren en skeletten keken ze hun ogen uit. ‘God wat is de schepping toch wonderlijk’, slaakte mijn moeder terwijl ze lief met mijn vader ­poseerde bij de langnekdino. Zelfs mijn zusje vond het ‘wel echt cool, ja’, terwijl ze met een stoïcijns gezicht achter ons aan sjokte. Het was voor haar onmenselijk vroeg geweest, zo om 11 uur op de zaterdagochtend.

Verder ging het precies zoals verwacht: mijn vader liep de zalen af met een tempo alsof hij achterna werd gezeten door de ­Belastingdienst, mijn zusje wilde binnen een half uur naar het restaurant omdat ze nog niet had ont­beten en mijn moeder raakte achterop omdat ze bij het zeeleven bleef staan – ze heeft een zwak voor vissen. Tegen die tijd was ik de draad van mijn zogenaamde rondleiding allang kwijt, en had ik pogingen om er een gezamenlijke ervaring van te maken moedeloos laten varen.

Maar toen we binnen een uur alweer buiten stonden, bleek iedereen het zowaar leuk te hebben gevonden. Mijn moeder vindt het zelfs voor herhaling vatbaar, alleen gaan de we ­volgende keer met z’n tweetjes. Dat kijkt toch rustiger.

Meer over