ColumnSander Schimmelpenninck

Nederland is steeds minder productief en gelijk, en steeds meer verwend en ongelijk

null Beeld

Terwijl de burger zich vanuit de horrorfile beklaagde over de stijgende brandstof- en energieprijzen, kwam het CBS afgelopen week met een opvallende goednieuwsshow. De koopkracht steeg de afgelopen 35 jaar met 58 procent, terwijl de inkomensongelijkheid laag bleef. De overheid nivelleert meer dan voldoende, volgens de onderzoekers, vooral dankzij de vele toeslagen en andere potjes die de koopkracht aan de onderkant op peil houden.

En zo wordt maar weer eens efficiënt zand in de ogen gestrooid van de massa én de politiek door het begrip ‘ongelijkheid’ in de beeldvorming te vernauwen tot inkomensongelijkheid. Terwijl we allemaal weten dat de grote ongelijkheidspijn in Nederland juist bij de vermogens zit: de rijkste 10 procent van Nederland heeft met ruim 1 biljoen euro aan bezittingen ruim anderhalf keer zoveel als de andere 90 procent.

Een probleem bij deze immense vermogensongelijkheid is het gebrek aan data. De vermogens van de vaderlandse rijken worden door het CBS structureel te laag ingeschat, voor zover ze überhaupt worden ingeschat, omdat hun aanmerkelijke belangen lastig te berekenen zijn. Anno 2021 is de Quote 500 nog altijd de meest complete dataset van vermogend Nederland. Knap werk van Quote, maar ook een drama voor het CBS. De rijkdom houdt bovendien bepaald niet op bij die vijfhonderd namen.

De lage inkomensongelijkheid lijkt goed nieuws, maar is dat niet. Er is namelijk alle reden om aan te nemen dat de lage inkomensongelijkheid in Nederland leidt tot de extreem hoge vermogensongelijkheid. Mensen aan de onderkant hebben dankzij alle toeslagen weinig reden om méér te werken (en dus vermogen op te bouwen). Dan verliezen ze immers die toeslagen en gaan ze er qua koopkracht vaak niet eens op vooruit. De verzorgingsstaat is daarbij niet het probleem, als wel de decennialange politiek van loonmatiging, waardoor een gemiddelde werkende overheidsondersteuning nodig heeft.

De bezittende klasse ziet ondertussen haar vermogen al decennia aangroeien, terwijl die groei maar mondjesmaat gerelateerd is aan werk. Kortom, de have nots zien geen reden méér te werken, de haves laten hun geld werken. Zo groeit de vermogensongelijkheid door en kan het niemand verrassen dat we in Nederland zo’n beetje het minste werken van heel Europa.

Nederland is steeds minder productief en gelijk, en steeds meer verwend en ongelijk. Decennia van lage prijzen, gasbellen en historische voorsprongen hebben ons te veel zelfvertrouwen gegeven. We verblinden onszelf met productiviteitscijfers die al jaren niet meer groeien en ongelijkheidscijfers waarin maar het halve verhaal verteld wordt. Ons geluk raakt op en dat gaan we voelen: we zullen harder moeten werken voor dezelfde welvaart.

Een probleem daarbij is wat de Amerikaanse professor Tom Nichols in zijn boek Our own worst enemy ‘hedonistische adaptatie’ noemt, oftewel de menselijke neiging om het huidige welvaartsniveau als de absolute bodem te zien. Wie het huidige gejammer over prijsstijgingen hoort, of de egoïstische kumbaya-klets van mensen die menen dat zo min mogelijk werken een grondrecht is, weet dat dit nog heel veel pijn gaat doen. Daar komt bij dat relatieve armoede lastiger is op te lossen dan absolute armoede. Het populistische oproer komt immers niet van de slecht georganiseerde werkende armen, maar van een jaloerse middenklasse, die het helemaal niet slecht heeft, maar op sociale media ziet hoe anderen het nog beter hebben.

Wanneer werk en verdienste niet langer bepalend zijn voor de welvaart van een land en de vermogenspositie van een burger, valt niets anders dan ellende te verwachten, daar is de geschiedenis glashelder over. Was er maar een partij met het woordje ‘arbeid’ in haar naam.

Meer over