180 gradenYasmine Allas

‘Nederland is geen oase van vrijheid’

Schrijfster Yasmine Allas (53) is teruggekomen op haar rooskleurige beeld van Nederland.

Yasmine Allas: ‘Doordat ik zelf nooit last had van racisme, dacht ik er te makkelijk over.’ Beeld Ivo van der Bent
Yasmine Allas: ‘Doordat ik zelf nooit last had van racisme, dacht ik er te makkelijk over.’Beeld Ivo van der Bent

Oude standpunt

‘Nederland is een oase van vrijheid en tolerantie. Ik kon me niet voorstellen dat er racisme of discriminatie plaatsvond. Toen ik in 1989 als jonge Somalische vrouw arriveerde, voelde Nederland als thuis. Ik koesterde de gedachte dat ik hier aan niemand toebehoorde. Ik mocht mezelf als vrouw hervinden.

‘Mijn aankomst was niet mijn eerste kennismaking met Nederland. Mijn opa was zeeman, woonde jarenlang in Rotterdam en vertelde veel over Nederland en Europa. Alle kinderen uit mijn geboortestad luisterden naar zijn verhalen. Die vertellingen kweekten mijn fantasie; in mijn hoofd was Nederland een grote boerderij met één superfamilie, omringd met tulpen en water en loeiende koeien, en met houten schoenen die alleen Hollanders passen. Mijn opa waarschuwde wel: zorg dat je ’s zomers nooit in Nederland bent, want dan doen vrouwen naakt boodschappen. Dat prikkelde mij als ondeugend meisje. Het eerste wat ik rook toen ik dertig jaar geleden met de trein Roosendaal binnenrolde, was de geur van koeienmest. Mijn opa had er al over verteld, dus het klopte. Bij aankomst wist ik: ik ben thuis.’

Het kantelpunt

‘In 2015 was mijn broer bij mij op bezoek, we reisden per trein met een eersteklaskaartje naar Rotterdam. Op drie zakenlieden na was de coupé leeg. De conducteur kwam binnen, groette iedereen en wilde de coupé al verlaten, toen hij omkeek naar mijn broer. Hij zat schuin tegenover me, een donkere jongen in trainingspak. Het leek misschien alsof we niet bij elkaar hoorden. De conducteur liep terug en vroeg alleen mijn broer om zijn kaartje. ‘Waarom controleer je de kaartjes van de anderen niet?’, vroeg hij. Het gesprek escaleerde snel. Een van de zakenlieden moest tussenbeide komen om het te sussen. Dat was mijn eerste eyeopener. Doordat ik zelf in Nederland nooit met racisme in aanraking kwam, dacht ik er te makkelijk over. Een jaar later bezocht ik met mijn witte man een drogisterij. We stonden bij verschillende rekken en de drogist zei tegen mijn man dat hij mij in de gaten moest houden. ‘Voor je het weet stelen ze je winkel leeg’, fluisterde hij. Pas bij de kassa kwam de drogist erachter dat we samen waren. Stomverbaasd zei hij: ‘Op ieder potje past een dekseltje.’ Ik zei alleen maar: liefde kent geen kleur.’

Nieuwe standpunt

‘Nederland is als andere landen, niet beter dan de rest, al denken we dat we zo tolerant en ruimdenkend zijn. Somaliërs hebben misplaatste trots, zei ik altijd. Nu weet ik dat Nederland met hetzelfde probleem kampt. We verhogen onze dijken en verschansen ons daarachter, we denken dat we veilig zitten en gluren door de kieren naar buiten.

‘Ik vond altijd dat nieuwkomers zich moesten aanpassen en de taal moesten leren. Dat vind ik nog steeds. Maar als de andere kant geen hulp en gelijkwaardigheid biedt, is integratie nauwelijks mogelijk. Ik ben te hard geweest voor de groep migranten waarvan ook ik deel uitmaakte. Ik had nooit last van racisme, maar wellicht heb ik het eenvoudiger gehad: ik ben vrouw, deed mijn best om me het land eigen te maken en leerde snel Nederlands. Daardoor zagen mensen me minder als gevaar.

‘Nederland is de plek waar je moet zijn, dacht ik. Als je homoseksueel bent bijvoorbeeld, is er geen betere plek dan Nederland. Maar het lijkt alsof we steeds terugkrabbelen en aan verworvenheden knabbelen. Toen ik in Nederland kwam, zoenden homo’s elkaar op straat. Nu hoor ik van bevriende stellen dat ze elkaar niet meer publiekelijk durven liefkozen. Ik heb mijn rooskleurige beeld moeten bijstellen.’

Het effect

‘Mijn buitengewone bewieroking en adoratie van Nederland is tot menselijke proporties teruggedrongen. Nederland was mijn minnaar. Niemand mocht eraan komen. Ik gaf overal kusjes, ik streelde het land in mijn gedachten. Maar zelfs liefde bezwijkt onder realiteit.

‘Mijn jonge naïviteit had ik nodig om te groeien en mijn plek te vinden. Het lijkt me erg moeilijk voor mensen om hier hun thuis te vinden als ze niet overtuigd zijn dat ze welkom zijn, dat het een groot en tolerant land is.

‘Het heeft zelfs mijn schrijven beïnvloed: mijn eerste boek was een liefdesverklaring aan het Westen. Nu schrijf ik er veel genuanceerder over en belicht ik ook wat er mis is.

‘Ik had als jonge vrouw alle deuren naar Somalië achter me dichtgetrokken. Ik had ze niet nodig, dacht ik. Ik moest de Yasmine vinden die hier met beide benen op de grond kon staan en kon vooruitkijken. Zonder dat ik het in de gaten had, heb ik een hoge prijs betaald om hier mijn draai te vinden. Ik kreeg heimwee, wilde mijn thuis zien en ging terug. Je vergeet: de achtergeblevenen moeten je niet. Alles wat je kende, is veranderd. Ze zitten niet op je te wachten. ‘Wie is die vreemde, afvallige vrouw? Wat komt ze doen?’ Mijn diepste dromen gaan over Somalië, over thuis zijn. Maar ik ga niet terug. Ik heb de puf niet nog een keer opnieuw te beginnen.’

Meer over