InterviewMichal Citroen

Nederland gaat van oudsher slecht om met crises. Laat de overheid daar eindelijk van leren

Nederland reageert traag en slecht in crisistijd. Dat was zo in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en dat is nog steeds zo, zegt historicus Michal Citroen. De parallel: een verbluffend gebrek aan compassie.

Kustaw Bessems
Michal Citroen bracht vorig jaar een nieuwe, uitgebreide versie uit van haar boek ‘U wordt door niemand verwacht’, over de opvang van Joodse slachtoffers na de Tweede Wereldoorlog.  Beeld Rebecca Fertinel
Michal Citroen bracht vorig jaar een nieuwe, uitgebreide versie uit van haar boek ‘U wordt door niemand verwacht’, over de opvang van Joodse slachtoffers na de Tweede Wereldoorlog.Beeld Rebecca Fertinel

Michal Citroen was als tiener verbijsterd toen haar grootvader het haar vertelde. ‘Hij zei: jij dacht dat het allemaal zo geweldig was. En het wás geweldig dat we nog leefden na Auschwitz. Maar toen begon pas de ellende van het vechten tegen de Nederlandse overheid.’ De Nederlanders hadden zich ‘schunnig’ gedragen, oordeelde hij.

‘Ik had eerst de neiging om logische verklaringen te zoeken’, vertelt Citroen. ‘Waaruit moest blijken dat Nederland het heel erg vond dat het Joodse oorlogsslachtoffers niet goed had behandeld, waardoor het er niets aan kon doen.’ Maar een andere conclusie was onontkoombaar: de overheid had de allerkwetsbaarsten gemangeld, de menselijke maat ontbrak.

Dat is dus niet nieuw.

Vanaf haar studie geschiedenis in de jaren tachtig verdiepte Citroen zich in wat haar levenswerk zou worden, het onderzoek naar de opvang van Joodse slachtoffers na de Tweede Wereldoorlog. Vorig jaar verscheen een nieuwe, uitgebreide versie van haar boek U wordt door niemand verwacht, dat voor het eerst in 1999 was verschenen. Wat ze aantrof, was ontluisterend. ‘Het niet welkom zijn, het niet worden opgenomen in de Nederlandse samenleving. De tegenwerking bij het opbouwen van een nieuw bestaan.’

Ingesleten patronen

En vandaag de dag herkent ze bevindingen uit haar onderzoek als Groningers uit het aardbevingsgebied worden vernederd, door vergeefs een dag in een rij te moeten staan om geld te krijgen voor hun huizen. Ze ziet ze terug in het toeslagenschandaal, in de weerzin om kinderen uit kamp Moria op te vangen, in de onwilligheid om Afghanen te redden die voor Nederland hebben gewerkt en in de stroperigheid van de corona-aanpak. ‘Het zijn ingesleten patronen. Zo doen wij dingen.’

‘Mijn grootvader kwam naar huis via Odessa, in Oekraïne, en Marseille. Mensen die die tocht hebben gemaakt, vertellen allemaal dat ze in Frankrijk op de perrons ongelooflijk warm werden ontvangen. Diners met wijn op de perrons. Mensen die door de treinen liepen met manden vol kersen. Gejuich, de Marseillaise. De Fransen hadden ervaring met terugkerende oorlogsslachtoffers uit de Eerste Wereldoorlog. Dat was in België ook zo. In Nederland kwam de trein aan en op een leeg perron stond een aantal mensen met uniformen te schreeuwen: in de trein blijven! Er moest eerst registratie plaatsvinden, een onderzoek of de inzittenden geen enge ziekten hadden en vooral of ze wel recht hadden om terug te keren.’

‘Het kabinet in ballingschap in Londen had tijdens de bezetting nagedacht: wat doen we met al die mensen die zijn gedeporteerd? De Joden, maar ook dwangarbeiders, krijgsgevangenen, mensen die voor de Duitsers hadden gewerkt, Nederlandse SS’ers aan het Oostfront. Ze vonden het er wel veel. Op zo’n moment treedt de standaard Nederlandse reflex in werking: hoe gaan we dat organiseren? Er is paniek: als die hordes op Nederland afkomen, hoe controleren we dan wie er binnenkomt? De gedachte was dat Nederland zou worden bestormd door honderdduizenden mensen. De aantallen die ze hadden, klopten niet, want er waren er meer vermoord dan ze dachten.’

‘Vervolgens verzonnen ze allerlei ingewikkelde registraties en bureaucratische toestanden. De ministeries kregen onderling ruzie over wie het ging betalen. Al in ’43-’44 was er gedoe tussen het civiele en militaire gezag. En uiteindelijk, na al dat geregel, was er niks voor Joden. Geen opvang en repatriëring, vergeleken met andere landen. Geen sturing. Geen vrachtwagens. Niemand ter plekke bij de kampen.’

Enorm nadenken

Het bleef voornamelijk bij ‘enorm nadenken over hoe je zoiets het beste kunt doen’, zag Citroen. ‘En wat geheel ontbrak, was de gedachte: ‘Wat hebben die mensen meegemaakt! Wij hebben het misschien slecht gehad, maar je zult maar in het kamp hebben gezeten. Wat zullen die ziek zijn. Laten we eerst eens zorgen dat ze thuiskomen, dat ze zich welkom voelen, en dan zien we daarna wel verder.’ Het besef was er niet dat Joden ónze mensen waren. Terwijl het in feite was alsof de bevolking van Rotterdam in een kamp was gestopt en voor het grootste deel vermoord en er nu wat overlevenden terugkwamen.’

De lijdensweg werd nog erger toen de weinige Joodse overlevenden probeerden hun rechtmatige bezittingen terug te krijgen. ‘De nazi’s hadden een vernuftig systeem gehad om alle eigendom van Joden af te pakken. Van je huis, je bedrijf en je aandelen tot de ring om je vinger. Wat Joden nog overhadden – huisraad, juwelen met weinig waarde – hadden ze vaak in bewaring gegeven bij niet-Joden. En die wilden dat na de oorlog in veel gevallen niet teruggeven.’

‘Het beroemdste verhaal is dat van Marga Minco, Het adres, waarin ze beschrijft hoe ze bij mensen langsgaat en daar de enige spullen ziet die nog over zijn van haar vermoorde familie, waarna het kind des huizes niet eens blijkt te weten dat die spullen niet van haar ouders zijn.’ In haar eigen boek geeft Citroen het voorbeeld van iemand die een man ziet rondlopen in de pakken van zijn vermoorde vader, door een huis vol met diens meubilair. ‘En die man zegt: waar hebben jullie het over? Er waren Joden die te horen kregen: o, wat hebben wij toch altijd een pech, waarom moet mijn Jood nou terugkomen?

‘In Amsterdam was de politie op een enkeling na niet bereid om zich voor zulke zaken in te spannen. Terwijl ze in Antwerpen bijvoorbeeld zeiden: dan sturen we een soldaat mee en zullen we eens kijken van wie die spullen zijn.

‘Op zich werd er in Nederland wel veel opgetuigd om dit te regelen. Bijzondere rechtspraak, organisaties. Juristen die daarin hebben gewerkt, zeggen: we hebben echt enorm ons best gedaan. Maar rechtszaken hebben soms tientallen jaren geduurd.’

Zonder kwitanties ook geen hulp

Hulp van de overheid om de draad weer op te pakken konden Joden vaak al helemaal vergeten. Niet dat daar niet ook organisaties voor in het leven waren geroepen. ‘Er was een schadeherstelcommissie. Ik beschrijf hoe een overlevende uit Rotterdam, van wie vrouw en kind zijn vermoord, op een gegeven moment denkt: ik moet toch weer leven. Hij meldt zich bij die commissie en vertelt dat hij vóór de oorlog een goedlopend textielbedrijf heeft gehad. Daar zeggen ze: heb je bonnetjes? Hij moest kunnen laten zien wat hij voor de oorlog omzette. Hij zei: ik heb dertien concentratiekampen overleefd, je denkt toch niet dat ik mijn administratie heb meegesjouwd? De reactie was: als jij geen kwitanties hebt, kunnen wij niets voor je doen.

‘De Belastingdienst vroeg mijn grootvader wat hij had verdiend in 1944. Toen hij zei dat hij in Auschwitz had gezeten, vroegen ze: kun je dat bewijzen? De verzekering betaalde niets, want hij had zijn premie niet betaald. Hij was zijn huis kwijt, zijn bedrijf kwijt.

‘Al in Londen had de regering besloten het verschil tussen Jood en niet-Jood voor eens en voor altijd op te heffen. Toen ik dat de eerste keer las, vond ik dat mooi: niet meer die discriminatie. Maar dat was niet de reden. Ze wilden voorkomen dat mensen op basis van hun vervolging van alles zouden opeisen. Daarvoor moesten de slachtoffers bij de Duitsers zijn. Alles waarbij Joden een speciale behandeling wilden, kon Nederland hun zo weigeren.

‘Hinke Piersma en Jeroen Kemperman hebben voor hun boek Openstaande rekeningen uitgezocht dat de weinigen die het kamp of de onderduik hadden overleefd, in Amsterdam werden aangeslagen voor erfpacht tijdens de oorlogsjaren én voor een boete over de niet betaalde pacht. Daar is over vergaderd, hè. Zo zijn er eindeloos veel voorbeelden waarbij instanties zeiden: wij kunnen geen uitzondering maken, anderen hebben ook allerlei ellende meegemaakt.

‘In 1947 is al een parlementaire enquête geweest met als conclusie dat Nederland op veel terreinen een gebrek aan durf en initiatief heeft getoond. Dat bijna al het handelen te formalistisch en bureaucratisch was. Dat is een karakterisering van het beleid die je ook nu steeds weer hoort. De manier waarop de overheid met burgers omgaat is echt niet pas ontstaan onder de kabinetten-Rutte.’

Niet goed in crisisbestrijding

Volgens Citroen is Nederland van oudsher ‘niet goed tijdens crises’. ‘Niet goed in snel iets op poten zetten om mensenlevens te redden. Uit historisch onderzoek blijkt dat 20 procent van de verzwakte slachtoffers in de weken na de bevrijding overleed en dat waarschijnlijk duizenden hadden kunnen worden gered als Nederland hen sneller had opgehaald. In de huidige tijd hoor je dat het niet zo erg is als er later wordt begonnen met een vaccinatiecampagne, omdat we het op den duur wel inhalen. Ook die gedachte kost levens. Dat is hard om te zeggen. Maar als vaccinatie je verdedigingsstrategie is, en je weet al vanaf het begin dat je die waarschijnlijk gaat inzetten, begrijp ik niet dat je die niet meteen gaat voorbereiden. Het verweer is dan dat de minister niet over de GGD’s gaat. We zitten in een crisis, dan zórgt hij maar dat hij erover gaat.

Michal Citroen: ‘Vóór we naar Afghanistan gingen, had iemand moeten zeggen: straks zijn daar weer mensen van ons afhankelijk, wat doen we met hen als het misgaat?’ Beeld Rebecca Fertinel
Michal Citroen: ‘Vóór we naar Afghanistan gingen, had iemand moeten zeggen: straks zijn daar weer mensen van ons afhankelijk, wat doen we met hen als het misgaat?’Beeld Rebecca Fertinel

‘Of neem de evacuatie uit Afghanistan: doe iets en dan zien we straks wel of die mensen allemaal terecht hier zijn aangekomen. En laten het er te veel zijn, laten het er tweeduizend zijn. Soit. Dan hebben wij het tenminste niet op ons geweten dat mensen achterblijven en worden vermoord door de Taliban. In plaats daarvan hebben verantwoordelijken eindeloos zitten jeremiëren over wie eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor de juiste papieren om weg te vluchten uit Kabul. In een periode waarin je alleen maar moet denken: hoe krijgen we zo snel mogelijk alle mensen hierheen die door óns de sjaak zijn? Die lessen moeten we toch allang uit het verleden hebben geleerd?’

Citroen ziet minstens twee situaties waarin het Nederlands ‘bureaucratisch formalistisch systeem’ overstuur raakt. Bij crises én als er geld in het geding is. ‘In de afhandeling van de toeslagenaffaire zie je de vrees dat we mogelijk te veel betalen aan mensen die daar geen recht op hebben, dat die er beter vanaf komen. Ik zag op tv de enorme afdeling met ambtenaren die is opgezet om de dossiers weg te werken en die verwacht nog jaren bezig te zijn. Wat een waanzin. Dat kost oneindig veel meer dan ooit zal worden uitgekeerd.’

Terwijl het toeslagenschandaal zelf in haar ogen ook al door een fout soort zuinigheid heeft kunnen ontstaan: ‘Er is weleens door een ambtenaar aan de bel getrokken, maar niemand is daarop ingegaan. Niemand in de hele ambtenarij kon zich losmaken van het systeem dat in gang was gezet.’ Dat komt volgens Citroen mede doordat er vermoedens van fraude waren. Veelal onterecht, zou blijken. ‘Maar frauderen, de boel besodemieteren, vinden wij Nederlanders heel erg.’

Daar zit een mooie kant aan. In Citroens boek komt een ambtenaar voor met twee potloden in de borstzak: één voor privé- en één voor zakelijk gebruik. ‘Dat zien we als onze deugdzaamheid. Het calvinistische, het arbeidsethos. Het heeft er misschien ook lang voor gezorgd dat in Nederland niet enorm veel onder tafel werd betaald. Het geeft de schijn van onkreukbaarheid. De keerzijde is dat een vrouw in de bijstand die boodschappen van haar moeder krijgt, zomaar alles moet terugbetalen. Ook al zal zij dat nooit kunnen en wordt alleen maar schuld op schuld gestapeld.’

Leren hoe het níét moet

‘Rutte vindt het toch zo chic dat hij geschiedenis heeft gestudeerd? Ik vraag me af of die man weleens lessen leert uit de geschiedenis. Niet over Thorbecke, maar over situaties waaruit je kunt opmaken: hoe moeten we het níét weer doen?’ Citroen wijst op de genocide op moslims in het Bosnische Srebrenica in 1995, waar Nederlanders namens de VN zaten en machteloos toekeken, zelfs hielpen bij het scheiden van de mannen – die vermoord zouden worden – van de vrouwen en kinderen. Een andere situatie, maar, meent zij: ‘We hadden er beter dan wie ook van moeten leren hoe het mis kan gaan als je niet van tevoren nadenkt over de mensen die van je afhankelijk zijn. Dus vóór we naar Afghanistan gingen, had iemand moeten zeggen: oké, straks zijn daar weer allemaal mensen van ons afhankelijk, wat gaan we met hen doen als het misgaat?’

In de uiteindelijke evacuatie van Kabul ziet Citroen ook juist een positieve les. ‘Het is opzienbarend hoeveel er nog is gelukt in de laatste dagen. Doordat ambtenaren, Kamerleden, journalisten en medewerkers van ngo’s, toen het al te laat leek, dachten: we gaan er gewoon voor. Dat was dus niet dankzij het systeem, nee, je ziet wat er kan als je op een gegeven moment juist denkt: het systeem doet er even niet meer toe.

‘Het excuus om geen lessen uit het verleden te leren is altijd: de geschiedenis herhaalt zich niet. En mensen zijn vooral allergisch voor het terugkijken naar de Shoah en de Tweede Wereldoorlog: o god, weer die vergelijking. Maar het is de ergste crisis die we hebben meegemaakt, dus is het misschien soms toch nuttig.’

In haar boek noemt Citroen een paar keer de reactie van de Nederlandse overheid op het afbranden van kamp Moria, op het Griekse eiland Lesbos, in 2020. Vluchtelingen en andere migranten bivakkeerden er in mensonterende omstandigheden. Het kabinet wilde slechts honderd overwegend minderjarige asielzoekers opnemen en dan alleen onder een voorwaarde. Honderd erkende vluchtelingen van elders die Nederland had uitgenodigd via de VN, werden geweerd. Zo moest het aantal vluchtelingen ‘onder de streep’ gelijk blijven, zoals de VVD het destijds stelde.

Citroen: ‘Ergens kan ik het nog steeds niet geloven. Er zit dus een groep mensen bij elkaar. In het kabinet, in de Kamer, in een partij, op een ministerie. En die zegt: weet je wat, we verzinnen deze uitruil.’ De Joden die terugkeerden na de oorlog waren geen vluchtelingen, benadrukt Citroen, zij waren Nederlanders. Maar de parallel die ze ziet, is: ‘Het gebrek aan menselijkheid. Niet kunnen bedenken dat op een gegeven moment al je regeltjes, alles wat je verzonnen hebt, moet wijken voor compassie.’

Meer over