essay

Na twee weken lesgeven op een middelbare school hield deze schrijver het voor gezien: het is niet te doen zo

Schrijver Anne-Gine Goemans kwam onbevoegd als docent Nederlands op een middelbare school terecht en schrok van het grote aantal leerlingen met persoonlijke problemen, stoornissen en corona-achterstanden. Na twee weken hield ze het voor gezien.

Anne-Gine Goemans
null Beeld Pieter Van Eenoge
Beeld Pieter Van Eenoge

Je moet niet gaan janken voor de klas. Schreeuw nooit: ‘Ik sta hier voor jullie!’ En je moet nooit maar dan ook nooit stoer lopen doen. Drie welgemeende adviezen van mijn 15-jarige zoon. Ik vraag hem wat hij precies bedoelt met stoer doen. Morgenochtend sta ik voor het eerst als docent Nederlands voor een brugklas en een 5 en 6 vwo-klas. ‘Je moet niet gaan praten met straattaal: fakka niffo, kifesh, patta’s, fatoe, kaolo. Je weet toch.’

Ja, ik weet toch. Gisteren ontmoette ik de mentor van mijn nieuwe brugklas in de kopieerruimte en hij leerde me een andere les: teachers don’t smile until Christmas. Kerstmis ligt al een tijdje achter ons, maar ik begrijp zijn boodschap. Je moet als nieuwe docent de eerste vier maanden stevig en streng optreden en leerlingen geen ruimte geven, anders breken ze de tent af.

‘Wat moet ik volgens jou dan wel doen?’, vraag ik mijn zoon. ‘Gewoon, leuk lesgeven, en als er wat gebeurt het je niet aantrekken. Er is altijd in een klas wel iemand die met een stoel gooit, dat maak je minstens één keer mee.’

Noem het een noodgreep. Halverwege het jaar vertrokken twee docenten Nederlands op een middelbare school in Haarlem en op korte termijn was er met geen mogelijkheid vervanging te vinden. ‘We hebben de bodem van de put bereikt’, zei de conrector toen ze vroeg of ik tijdelijk Nederlandse les wilde geven op de scholengemeenschap met gymnasium, atheneum, havo en vmbo-t. De naam laat ik buiten beschouwing, het gaat niet om een specifieke school maar om een landelijk probleem. Door het tekort aan docenten staan er steeds vaker onbevoegden voor de klas: in het voortgezet onderwijs is dat ongeveer vier procent (Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren, 2020) maar de cijfers zullen fors toenemen. Ruim een derde van de vacatures in het voortgezet onderwijs is momenteel moeilijk vervulbaar. Over acht jaar, luidt de raming van de Trendrapportage, is er op middelbare scholen een tekort aan 1.700 extra voltijd-leraren. Schoolleidingen moeten vaker noodgrepen uitvoeren door zij-instromers, studenten van de lerarenopleiding of volledig onbevoegden in te schakelen.

De wet laat het toe om een docent te benoemen die (nog) niet voldoet aan de juiste bekwaamheidseisen. De inzet van deze onbevoegden is alleen voor bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Zo mag een volledig onbevoegde docent zoals ik maximaal een jaar lesgeven voor een vacature die moeilijk vervulbaar is. Het komt dan aan op bekwaamheid, inhoudelijke vakkennis opgedaan door werk.

‘Bekwaam ben je zeker’, zei de conrector, en in mijn naïviteit vond ik dat ook. Al ruim tien jaar geef ik lezingen op middelbare scholen over mijn romans die op boekenlijsten staan. Duizenden leerlingen vertelde ik over mijn research en reizen en zelfs de grootste boekenhater hing aan mijn lippen. Ordeproblemen heb ik zelden en als er een etterbakje tussen zit, dan laat ik hem of haar voor de groep uit mijn roman voordragen.

Lach niet tot Kerst

Binnen twee weken sta ik na een spoedcursus (hoe werkt het administratieve programma Magister, waar vind ik de digitale lesboeken) voor de klas. Het advies ‘teachers don’t smile until Christmas’ sla ik het eerste uur al in de wind. Met een glimlach begroet ik op woensdagochtend mijn brugklas met 27 leerlingen en twee leerlingen die met coronaklachten online de les volgen. We maken kennis, ze stellen vragen. Heeft u kinderen? Vinden ze u thuis streng? Ik maak een grapje dat mijn kinderen vinden dat ik zelfs de hond niet kan opvoeden.

De eerste les verloopt vrolijk rommelig en diezelfde dag krijg ik de brugklas voor een tweede uur. We moeten aan de slag, volgende week staat er een proefwerk ingepland. Ze klappen hun laptops open en de ellende begint.

Lege accu’s, vergeten wachtwoorden, vastlopende opdrachten. Tot in de puntjes bereidde ik de les voor, maar nu komt het aan op ict-vaardigheden – waarover ik niet beschik. Halverwege het uur slaat Ivo zijn beeldscherm stuk. ‘Waarom deed je dat?’, vraag ik. ‘Mijn laptop liep vast’, antwoordt hij. Als er eindelijk iets van stilte is loop ik langs de rijen. Rosa bekijkt een filmpje op YouTube en klikt het net te laat weg. Enkele kinderen oefenen Franse woordjes. Straks hebben ze een proefwerk, is de uitleg. Ik zeg dat iedereen voortaan zijn boek meeneemt. Vingers gaan verontwaardigd omhoog. Een computer en alle lesboeken passen niet in hun rugzak, luidt het commentaar.

‘Kut, what the fuck’, zegt Jamila voor de derde keer. Twee leerlingen nemen paracetamol tegen hoofdpijn en vragen of ze water mogen halen. Achter in de klas wordt ruzie gemaakt over een muis, batterijen vliegen door het lokaal.

Ik waarschuw dat het stil moet zijn en noteer de namen van vier herrieschoppers op het bord. ‘Als jullie doorgaan, dan zet ik een streep achter je naam en dat betekent melden bij de afdelingsleider.’ Een bijdehandje brengt me op de hoogte van het strafsysteem. ‘Pas bij twee streepjes mag je de klas worden uitgestuurd.’ Een vinger gaat omhoog. ‘U heeft kauwgom in uw mond, dat mag niet.’ Mijn weerwoord – ‘Ik mag alles’ – is flauw, maar mijn glimlach is ver te zoeken.

Ivo, die zijn scherm sloopte, lift zijn tafel als een gewichtheffer. Ik zet een rode streep achter zijn naam en achter die van zijn lachende buurman. Ivo pakt traag zijn spullen in en maakt zich breed als hij nog trager langs me loopt. Ik herken het bokito-gedrag van mijn eigen jongens, maar die zijn een stukje ouder. Deze snotneus is pas 12.

Tijdens het avondeten blaas ik stoom af. 5 en 6 vwo gingen prima, maar die brugklas was niet te houden. Kutkoters, hoor ik mezelf zeggen. Mijn zoons (15 en 19 jaar) en dochter (21) zijn niet onder de indruk. Ze vertellen grinnikend over docenten die huilend wegrenden of woede-uitbarstingen kregen. Ik ken de verhalen, maar voel nu pas met deze docenten mee.

’s Avonds besluit ik de leerlingenlijst met bijzonderheden toch te bekijken. Ik wilde onbevooroordeeld beginnen, maar wellicht helpt het als ik meer over hun achtergronden weet. Op de lijst met achttien namen staan vijf leerlingen die op hoog niveau sporten en daardoor lessen mogen missen. Dertien leerlingen hebben persoonlijke problemen, dyslexie of kampen met stoornissen als add, adhd en ppd-nos. Ik zoek informatie over ass en pdd-nos en lees over autisme. Ook verdiep ik me in dysgrafie en dyspraxie, nooit van gehoord. Een docent, besef ik, moet een halve psycholoog zijn.

Ik bel een collega en vraag of het normaal is dat zoveel leerlingen in een klas een stoornis of heftige persoonlijke problemen hebben. Ja, zegt ze. ‘Door het passend onderwijs komen er steeds meer kinderen die extra begeleiding nodig hebben. De coronacrisis heeft de problemen die al veel langer spelen nog meer blootgelegd en ook nog eens voor achterstanden gezorgd.’

‘Maar extra begeleiding is toch niet te doen met zulke grote klassen?’, vraag ik.

‘Dat is ook niet te doen’, beaamt ze. ‘Het geeft veel stress.’

Passend onderwijs

Ik lees verder over de Wet passend onderwijs, ingevoerd in 2014 met het idee dat meer leerlingen naar een gewone school kunnen die past bij hun mogelijkheden, zodat ze niet naar het speciaal onderwijs hoeven. Onderwijsinstellingen wijzen er al jaren op dat de wet een ordinaire bezuinigingsmaatregel was die op de meeste scholen is mislukt. Zelfs het ministerie van Onderwijs concludeerde twee jaar geleden dat het passend onderwijs niet zo goed heeft uitgepakt.

Waar het in de kern op neerkomt: leerkrachten hebben geen tijd om elk kind individueel te helpen. Klassen zijn te groot, met gemiddeld 26 leerlingen in het voortgezet onderwijs. De administratieve rompslomp is enorm toegenomen en dat tegen een matig salaris. Niet zo gek dat er een toenemend tekort aan leerkrachten is.

De volgende ochtend deel ik bij het koffieapparaat mijn eerste ervaringen. ‘Bedenk je dat we hier voornamelijk kinderen uit de gegoede middenklasse hebben. Mijn zoon geeft les in Amsterdam en heeft leerlingen in de daklozenopvang wonen.’

Even later sta ik sta achter in de klas met mijn rug tegen de muur. Wat een waanzin. Ik ben niet bezig met de inhoud, maar fungeer als een levend programma dat het gebruik van sociale media op de schermen van de leerlingen moet tegenhouden. Ik kijk mee over de schouder van een leerling die ‘vietsen’ en ‘boeffen’ schrijft. Lisa staat niet op de bijzonderhedenlijst, ze heeft door de coronapandemie waarschijnlijk leerachterstanden opgelopen. Bij veel meer brugklasleerlingen zie ik taalfouten die niet meer op het voortgezet onderwijs thuishoren. Waar te beginnen met puinruimen?

Ik laat de leerlingen uit hun boek lezen en sta weer voor de groep. Streng kijk ik Bas aan die loopt te klieren. ‘Je naam staat bijna op het bord’, dreig ik. Bij binnenkomst liet hij me trots een libelle zien die hij bij handenarbeid had gemaakt. Ik vermoed dat Bas in een kleine klas met vijftien kinderen een prima leerling is, maar nu is hij onuitstaanbaar. Bas zit geen seconde stil. Het geringste geluid leidt hem af.

Een rij verderop maakt Jamila wiskundesommen. ‘Pak nu je leesboek’, waarschuw ik. ‘What the fuck’, zucht ze en slaat verontwaardigd haar schrift dicht. Beide leerlingen staan op de bijzonderhedenlijst met een stoornis.

Tijd om me in hen te verplaatsen is er niet, want Ivo is weer aan het gewichtheffen met zijn tafel, Otis klaagt over hoofdpijn en Javier en Lucas stompen elkaar gebroederlijk. Ze zijn door de mentor strategisch tussen vier rustige meisjes geplaatst, die onverstoorbaar doorlezen. Javier en Lucas zijn leuke knullen, maar in een grote groep vooral ontzettend irritant.

De bijzonderhedenlijst flitst door mijn hoofd. Javier heeft sinds de scheiding geen contact meer met zijn vader. Ik voel opeens diep medelijden met de rustige kinderen die telkens worden gestoord én met de druktemakers die zichtbaar overprikkeld zijn. Terwijl ik met tegenzin twee namen op het bord schrijf en net als Otis koppijn krijg, denk ik: wat doe ik hier?

null Beeld Pieter Van Eenoge
Beeld Pieter Van Eenoge

Na twee weken lesgegeven stop ik ermee. ‘Ik kom tot de conclusie dat ik mezelf niet bekwaam vind om deze klus te klaren’, schrijf ik in mijn ontslagbrief. Het voelt als falen. ‘Wat mij echt onderuit schopt, is het systeem. Niet dat van de school, maar zoals het in Nederland is ingericht. Ik sta voor een brugklas waarvan dertien leerlingen een stoornis hebben of met andere problemen kampen. Deze leerlingen vragen om individuele aandacht die ik hen niet kan bieden. Bijna dertig kinderen is gewoon de helft te veel. Een docent die dat kan managen en hen ook nog iets kan leren, moet van hele goede huizen komen. Gelukkig werken zulke docenten bij jullie, maar het ontbreekt mij aan de kennis, ervaring en tijd om dat voor elkaar te krijgen.’

De appjes van collega’s zijn zowel bemoedigend als verontrustend. ‘Prijzenswaardig dat je het geprobeerd hebt.’ Maar ook: ‘We pikken alles maar van de overheid, terwijl het eigenlijk niet meer te doen is. We zouden meer van ons moeten laten horen.’

Kleinere klassen

Docenten en onderwijsclubs opperen al jaren dat een kleine klas de oplossing is. Ze beseffen dat er dan juist méér leerkrachten nodig zijn en dat die er nu niet zijn. Maar ze wijzen er ook op dat de grote klas juist een belangrijke reden is waarom leraren het vak verlaten. De werkdruk is te hoog. Ook studenten van tweedegraadslerarenopleidingen vallen bovengemiddeld vaak uit (Berenschot 2021). Door een kleinere klas wordt de werkdruk verminderd, waardoor minder leraren opstappen en het beroep aantrekkelijker wordt. In de toekomst wordt ook voorkomen dat onbevoegde mensen zoals ik vaker voor de klas komen te staan.

De vraag is waarom de politiek geen gehoor geeft aan de roep om kleinere klassen. D66 pleit hier zelfs in haar verkiezingsprogramma voor. Ik gun Dennis Wiersma, minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, een week lesgeven in een gemiddelde klas met 26 leerlingen. Heel benieuwd hoe hij (onbevoegd) werkwoordspelling uitlegt, terwijl een stuk of zeven kinderen als overprikkelde kikkers uit de kruiwagen springen en dan ondertussen het digibord bedienen, online vragen beantwoorden, vastlopende Chromebooks fiksen en tussen de lessen door de digitale administratie bijhouden. Wedden dat er eindelijk voldoende miljoenen vrijkomen om de problemen structureel aan te pakken?

De namen van de leerlingen zijn omwille van de privacy gefingeerd.

Meer over