columnIbtihal Jadib

Mijn wandeling naar de vuilcontainer is mijn walk of shame geworden

Ibtihal Jadib Beeld
Ibtihal Jadib
Ibtihal Jadib en Ibtihal Jonkers-Jadib

Er is bij ons in de straat een ondergrondse vuilniscontainer geplaatst en hoewel het ongetwijfeld bedoeld zal zijn geweest als een positieve ontwikkeling, twijfel ik sindsdien aan mijn bestaansrecht op aarde. Daar waar ik voorheen slechts drie stappen hoefde te zetten om een zak voorbij de keukendeur in onze kliko te dumpen, moet ik nu een wandeling maken van een paar honderd meter naar de container aan het einde van de straat.

Aan dit gegeven kleeft in de eerste plaats een aantal hindernissen van praktische aard. Zo dient een mens, overeenkomstig het stilzwijgende contract dat wij met elkaar zijn overeengekomen, in het bijzijn van anderen behoorlijk gekleed te gaan. Dit herenakkoord staat op gespannen voet met het feit dat ik er thuis het liefst zo waardeloos mogelijk uitzie. Zo even snel tussen de afwas en het voorlezen van de kinderen door het vuilnis wegbrengen, behoort om die reden niet tot de mogelijkheden, gezien mijn verschoten Jip en Janneke-pyjama en ontploft vogelnesthaar. Onze buren zijn nog in de veronderstelling dat zij hun straat delen met een beschaafde vrouw, dat idee probeer ik zo lang mogelijk te handhaven. Helaas tref ik vrijwel altijd een volle prullenbak op ongunstige momenten die het niet toelaten om me even snel om te kleden. Daarop duw ik de boel maar wat aan, een strategie die je niet vijf keer achterelkaar moet toepassen want uiteindelijk begint zo’n overvolle vuilnisbak vanzelf in beweging te komen.

Andere drempels voor het loopje naar de container zijn te vinden in de categorie ‘weersomstandigheden’. Het is december en we wonen in Nederland; ik hoef u niets te vertellen over de kwellingen van ons klimaat. Nu hoor ik u denken: dan vraag je toch even je man om het vuilnis buiten te zetten? Zo’n kerel doet inderdaad niet kinderachtig over een hagelbui en mijn exemplaar is bovendien wél altijd fatsoenlijk gekleed, maar netjes is hij daarmee nog steeds niet, want hij zet de zak, als het hem zo uitkomt, gewoon pal naast de voordeur. Waardoor we de volgende ochtend, midden in de hysterische ochtendspits, tegen zo’n smoezelige verrassing aanlopen.

Al deze beproevingen zijn, als gezegd, praktisch van aard en daarmee onbeduidend. Het grootste euvel van die nieuwe containers zit ’m namelijk in de wandeling zelf naar het punt van verlossing; die is lang genoeg om na te denken over het hoe en waarom van die stinkende, volle zak. Iedere keer als ik mezelf zie lopen, denk ik aan wat de wereld oogst van mijn aanwezigheid: een misselijkmakende hoeveelheid plastic en rotzooi. Die opgeteld kan worden bij alle andere milieubelastende activiteiten die inherent zijn aan de moderne mens. Het is mijn walk of shame geworden.

Ik las onlangs het nieuwe boek van David Attenborough, Een leven op onze planeet, waarin hij dringende maar hoopvolle boodschappen voor de toekomst geeft. Het hoopvolle element raakte bij mij wat ondergesneeuwd, mede omdat ik moest denken aan John de Vos. De paleontoloog werd vorig jaar in deze krant geïnterviewd door Fokke Obbema, wat een grandioos stuk opleverde. Eén van zijn uitspraken was: ‘Ik verheug me op het einde van de mens, omdat dat voor de aarde een zegen zal blijken.’ Attenborough is een fractie milder; volgens hem kunnen we het tij nog keren als we tenminste de wil opbrengen een gezamenlijk front te vormen. Ik vraag het me af.

Meer over