ColumnPieter Waterdrinker

Mijn schoonzus is een ballerina, een nazaat van Pavlova: haar leven lang verkeert ze in spagaat

null Beeld

Mijn schoonzus groeide op in het hanggedeelte van een kledingkast. Nou ja, niet de gehele tijd natuurlijk. Soms. De kast had ruimte zat; veel kleren hingen er niet. Deed ze wat fout, dan moest ze de kast in. ‘Kennelijk deed ik heel vaak wat fout.’ Haar ouders konden niet op tegen de terreur van een oudere halfbroer. Als hij dronk, werd hij de duivel. Met een satergeschater vlogen de pijpjes Dirk-pils door de kamer. ‘Dan was ik blij als ik even in de kast kon.’

Mijn schoonzus heeft een prachtige stem, maar deze werd destijds vooral benut om te schreeuwen. Uit lijfsbehoud. Ze ging naar de huishoudschool. ‘Wat kon je daar nou mee?’ Ze belandde in de verzorging. Met liefde waste ze bipsen, verzorgde jichtvoeten, leegde po’s. Toen begon er iets in haar te kolken. Vreemde dampen stegen op in haar hersens. Ze kon er geen weerstand aan bieden. Haar hart trilde steeds vaker als... Ja, als wat? Een kolibrie! Ze ging weer leren. Belandde bij mijn broer in de klas, dat wil zeggen: hij was haar leraar.

De rest is een love story, één uit duizenden miljoenen, maar moeten we elkaar in deze donkere dagen vooral niet love stories vertellen? Ik zat helaas vast in Moskou toen mijn schoonzus een paar jaar later jaar op een fraaie voorjaarsdag in een Haarlems kerkje het Requiem van Fauré dirigeerde. Als afstudeerproject voor het conservatorium – koordirectie en zang. Op dat moment had ze tevens al een studie Duits voltooid. De vreemde dampen waren de jaren erna in haar hersenpan blijven opstijgen. En haar hart? Dat was nu een bundel harpsnaren!

Omdat er in de muziek in onze polderstreken doorgaans bar weinig te verdienen valt, is mijn schoonzus nu lerares Duits, op een vmbo in de hoofdstad. ‘Bijna elke dag, bijna ELKE dag word ik in de klas uitgemaakt voor hoer.’ In het spervuur van de klas verlangt ze soms naar de kast van vroeger. Om weer even in weg te kruipen. Mijn broer en schoonzus hebben twee kinderen, 8 en 11. De oudste zit in Haarlem op het gymnasium. ‘Eindelijk leer ik Frans en Latijn, zo heerlijk!’, zegt mijn schoonzus, die probeert met mijn neefjes huiswerk mee op te gaan.

Naast moeder, lerares en zangeres is mijn schoonzus vooral ook ballerina. Een nazaat van Pavlova. Haar leven lang verkeert ze in spagaat. Heerst die in sommige families al generaties lang, sinds augustus heeft ze via haar zoontje eindelijk wat ze noemt ‘de rust’ gevonden van het gymnasium. Ze geniet. Het ‘je ne comprends pas’ en ‘rosa rosa rosam’ vliegen erin. Wel na eerst bijna elke dag in een minder rustige omgeving te zijn uitgemaakt voor hoer.

Pieter Waterdrinker is schrijver. Zijn roman De rat van Amsterdam verscheen eerder dit jaar.

Meer over