columnpeter buwalda

Mijn maag herkent mijn mond niet meer

Mijn opa, registeraccountant bij het verificatiebureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, was tegen rekenmachines. Vond hij nieuwlichterij die de hersenen verweekte. Toegegeven, hij kon als een razende bedragen optellen, hij heeft me dat eens voorgedaan op een blocnote.

‘En worteltrekken dan?’, vroeg ik.

‘Dat doet de tandarts’, antwoordde hij, een grap in lijn met een andere die ik van hem onthouden heb. We vroegen hem tijdens het avondeten of hij niet blij was met oma, dat ze altijd zo lekker voor hem kookte. ‘Het gas kookt’, zei hij, ‘niet oma.’ Waarom we allemaal smakelijk moesten lachen, oma ook, en het was ook een goeie bak, natuurlijk.

Ik haal ze er weleens bij, mijn grootouders, wanneer ik mijn verbazing uitspreek over wat de pot bij ons zoal schaft, hele andere zaken dan in de jaren tachtig, de golden age van de slavink, de jaren van de snijbonenmolen op de hoek van de keukentafel, prachtig apparaat.

Van het tableau geschrapt, net als de pieper. Jet ­gelooft niet eens dat het echt bestaan heeft, aardappels, spinazie en een stuk braadworst. Tegenwoordig eten we linzen, kikkererwten, aubergines, pompoen, de lijst is eindeloos, mijn maag denkt dat ik gereïncarneerd ben, of van planeet gewisseld. En de variatie is eindeloos. Ik kan nu al niet meer zeggen wat we eergisteren gegeten hebben, serieus niet. Ergens in Londen, in een high-tech food lab, experimenteren Ottolenghi en zijn ­pieten zich een slag in de rondte, zodat The ­Guardian op zaterdag drie nieuwe dishes kan publiceren, die Jet de dagen erna op tafel zet.

Hoho, de borden – dankzij de borden staat het eten op tafel, wel precies blijven. Voor de duidelijkheid, ik mág niet koken, ik kan het niet goed genoeg, het leven is te kort voor mijn gepruts, maar ik blijf het aanbieden, al zijn het eigenlijk verkapte dreigementen, want het kunnen zomaar gekookte aardappelen met bloemkool worden, hmm, best weer eens zin in, met een kaaspapje, of misschien zelfs een Wereldgerecht van Knorr, vond ik vroeger heerlijk, vergis je niet, Knorr was de Ottolenghi van onze tijd, pure avant-garde, een rode doos waaruit een complete beef chimichurri tevoorschijn kwam, rechtstreeks uit Argentinië, er hoefde alleen maar een glas kraanwater bij!

Nee dus. Ik ben maar een eenvoudige schrijver, het is mij niet gegeven woorden te vinden voor de blik die Jet op zo’n Knorr-kit kan werpen, de diepe glans van afschuw, verbijstering en medelijden, daar is ­iemand als Rembrandt voor nodig, of Mozartje.

Mijn oma had er evenzeer voor bedankt, maar ironisch genoeg om tegenovergestelde redenen. Te exotisch, te gewaagd, alle smaakpapillen in een klap morsdood, en het is zeker met hoe heet dat nare spul... knoflook? Mijn opa sprong nog weleens uit de band, die hield wel van macaroni met rode saus, wat mijn moeder voor hem maakte als ze kwamen, maar oma, nee, die at liever een boterham.

Bijna onvoorstelbaar, zeg ik tegen Jet, de metamorfose van de Hollandse pot. Hebben we toch maar aan Knorr te danken, de kartonnen scharnier. Als je dat eens naar Sinterklaas zou vertalen. Stel je voor dat je Sinterklaas zou moeten verknorren, wat zou er dan van de stoomboot komen? Of komt-ie niet meer per boot en moet je hem streamen, een soort Conchita Wurst met een piepklein mijtertje.

‘En de Pieten?’

‘Het feest is vegan.’

Meer over