ColumnPeter Buwalda

Mijn jaarclubg’noot verdiende een welcome song: door de jaren had hij wel vijftien keer geprobeerd zomaar langs te komen

null Beeld

‘Beste Peter, in je artikel ging het over peperkoek met water in een sinterklaassurprise. Was dit bedoeld om de peperkoek te laten opzwellen, of om er een bepaalde smaak aan te ­geven?’

‘Nee, beide niet, de bedoeling was nepdiarree. Door heet water over de peperkoek te schenken en voorzichtig te prakken, krijg je namelijk drab die precies op slappe stront lijkt. Uiterlijk althans. En dat staat grappig boven op een mooi boek of een stel ovenwanten (wel waterdicht verpakken). Gebruik een complete peperkoek, dan lijken de cadeaus ­behandeld door ten minste Sinterklaas, een rijzige kerel, maar waarschijnlijker door een aantal pieten (roetveeg), waarover je dan in het gedicht mooi kunt berijmen hoe en waarom, al zou ik gezien veranderende tijden de Sint aan boord houden. Fijne dag, Peter.’

Kijk, daarom om staat er onder mijn ‘artikelen’ geen e-mailadres.

Maar ze weten je toch wel te vinden. Ook kreeg ik vragen over Dirks en zijn kind Sylvester. Het duo had een bezoek aan onze woonstee gebracht, begon ik vorige week mijn ‘artikel’, verderop informatie over hoezo dat ineens, maar aan het einde gekomen bleek daar, ai, geen plaats meer voor.

Doodsbedreigingen.

Nee hoor, grapje. Maar ze wisten wel waar mijn huis woonde als ik niet snel... Nee, ook niet. Het was Jet maar. Terwijl ze er gewoon bij was. De merkwaardige formulering ‘Dirks en zijn kind Sylvester’ komt nota bene uit haar koker, het is de titel van een lied dat ze componeerde in de traditie van Mozart, Händel en zeker ook Henry Purcell, die uitstekende welcome songs schreef voor bijvoorbeeld ­koning James II, die in 1683 eindelijk eens de landauer pakte naar Whitehall Palace. Sound the Trumpets, Beat the Drum heet dat lied. Goeie titel, wel.

Toegegeven, Dirks, mijn jaarclubg’noot, verdiende zeker een welcome song. Door de jaren had hij wel vijftien keer geprobeerd zomaar langs te komen, ‘aanwippen’ noemen leuke mensen dat, maar ik vind het een vreselijk naar woord, het ‘aan’ van ‘aanranden’, het ‘wippen’, nou ja, hoef ik niet uit te leggen. Wat Dirks al die keren deed, was vanuit zijn auto opbellen als hij door of om Amsterdam reed, ‘Hé Buwalda’, zei hij opgewekt, ‘ik ben in de buurt, heb je tijd voor biertje?’ We maakten dan altijd een leuk praatje, want ik mag Dirks graag, maar het antwoord luidde alle ­vijftien keren: ‘Nee Dirks, ik heb geen tijd voor een biertje.’

‘Leuke vriend ben jij’, zegt Jet.

Ik steek een wijsvinger op. ‘Jaarclubg’noot. Iets heel anders. Je hebt maar één verplichting, en dat is de contributie, 22,69 euro per maand. Daarmee koop je felicitatieplicht af, vakantiedia’s, verhuizen op vrije zondagen. Huldeblijken. En je mag altijd ‘nee’ verkopen. Óók tijdens de Tweede Wereldoorlog, als een g’noot wil onderduiken. Nee, Dirks weet heel goed dat hij zich 48 uur vantevoren moet aankondigen. Dan is er altijd ruimte in mijn drukke agenda. Hij is hardleers.’

Maar slim als corona. De afgelopen keer vertoonde Dirks een nieuw uitstulpinkje: Sylvester, zijn zoontje. Scholen toe, het knaapje moest er even uit.

‘Tot zo’, zei ik.

Jet ging meteen aan de slag. En toen vader en manneke maan een kwartiertje later geparkeerd hadden en over de stoep kwamen aanlopen, klonk reeds een gedragen welkomstlied, we heffen het nog steeds graag en geregeld aan, traag, waardig: ‘Kijk toch mensen!/Daar…/ zijn…/Dirks en zijn kind/Dirks en zijn kind/Dirks en zijn kind/Sylvester.’

Meer over