Migranten komen niet om te parasiteren

Met zijn lofzang op de Polen doet Piet Emmer de Marokkaanse en Turkse immigranten te kort. Uit tal van onderzoeken blijkt dat hun kinderen grote sprongen maken.

Ze werken hard en willen ons niet vermoorden’ was de kop boven een artikel van de hand van de Leidse hoogleraar Piet Emmer in (Forum, 27 november).

Emmer maakt een vergelijking tussen de Marokkaanse en Turkse gastarbeiders, die in de tweede helft van de vorige eeuw naar Nederland werden gehaald, en de Poolse immigranten van nu. Met de kop wordt gesuggereerd dat de groepen waarmee de Polen worden vergeleken, lui zijn en tot moorden bereid. Dat is natuurlijk niet wat Emmer wil beweren, maar zijn betoog past wel bij de huidige sterke behoefte om, wanneer het gaat om Turkse en Marokkaanse migranten, steeds te spreken van falen en mislukken.

In ons boek Komen en Gaan. Immigratie en emigratie in Nederland vanaf 1550 (Bert Bakker) geven wij een overzicht van wie er de afgelopen vier eeuwen naar Nederland kwam of er juist vertrok. Dat zijn, in tegenstelling tot wat Emmer beweert, geenszins louter succesverhalen. Met sommige migranten ging het onmiddellijk goed, anderen hadden tijd nodig. Maar stellen dat Turkse en Marokkaanse immigranten een uitzondering vormen, is pertinent onjuist.

De voortdurende nadruk op het falen van de Turkse en Marokkaanse migranten is bedoeld om het beeld schetsen dat zij anders zijn dan de migranten die hen ooit zijn voorgegaan. Dat is een boodschap die klaarblijkelijk graag wordt gehoord. Hierbij wordt voor het gemak vergeten hoeveel moeite sommige andere groepen migranten hebben gehad zich aan te passen aan de Nederlandse samenleving, en hoeveel Nederlanders moeite hadden zich aan te passen in den vreemde.

WAO

Emmer schreef zijn stuk omdat wij in ons boek de immigratie van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders niet als mislukt beschouwen. Hij voert als argument aan dat een groot deel van deze immigranten werkloos thuis zit met een WAO of bijstandsuitkering.

De Turkse en Marokkaanse gastarbeiders werden naar Nederland gehaald om ongeschoold werk te doen in bedrijfstakken die op het punt stonden ten onder te gaan: de mijnen, de textielindustrie en de scheepsbouw. Zij kwamen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Italianen en Spanjaarden, als hekkensluiters en aan het begin van een recessie. Het is een wonder dat de helft van hen toch ander werk heeft gevonden.

Emmer stelt dat meer dan de helft van de voormalige gastarbeiders boven de 40 jaar een uitkering geniet. Maar hij zegt er niet bij dat de groep Marokkaanse en Turkse mannen boven de 40 in totaal slechts 44.000 personen telt, van wie dus 22.000 met een uitkering. Dit zijn mannen die in de kracht van hun leven naar Nederland zijn gekomen en hun beste jaren hebben gegeven aan het zwaarste en vuilste werk: aan opvoeding en opleiding kostten zij de Nederlandse samenleving geen cent. Van hun Nederlandse collega’s uit die tijd zit bovendien ook een deel met een uitkering thuis.

Parlementsleden

Volgens het CBS is de totale werkloosheid bij de eerste generatie Marokkanen en Turken tussen de 15 en 65 jaar respectievelijk 16 procent en 14 procent. Dit is weliswaar drie keer zo hoog als bij de autochtone bevolking, maar de vergelijking moet niet worden gemaakt met de gehele bevolking, maar met mensen die eenzelfde opleiding en arbeidsverleden hebben.

Turken en Marokkanen doen het steeds beter in de Nederlandse samenleving. Het is nog niet eerder voorgekomen dat immigranten van de eerste generatie parlementsleden, staatssecretarissen en een burgemeester van Rotterdam leverden. Nederlanders van Marokkaanse afkomst maken furore als schrijvers, cabaretiers, modeontwerper en voetballer. In de laatste tien jaar groeide het aantal Turkse ondernemingen van 4.000 naar 15.000 en het aantal Marokkaanse bedrijven van 1.800 naar 7.000. Uit tal van onderzoeken blijkt dat de kinderen van de gastarbeiders grote sprongen voorwaarts hebben gemaakt ten opzichte van hun ouders, vooral in vergelijking met kinderen van Nederlanders die ooit in de fabrieken de collega’s waren van de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders.

De geschiedenis laat zien dat migranten niet komen of gaan om van sociale regelingen te profiteren. Zij komen om voor zichzelf en vooral voor hun kinderen een beter bestaan te realiseren. Zij slagen daar vaak wonderwel in.

Waarom dan toch die voortdurende nadruk op falen en mislukken? Het antwoord is zo oud als de migratie zelf: het apart zetten van een groep is een beproefde manier om de aandacht af te leiden van andere problemen waarvoor de oplossing minder gemakkelijk is te vinden. Het is een manier om een eenheid te creëren waar die op basis van enig ander punt niet (meer) te vinden is. Dat uit de geschiedenis blijkt dat op die manier problemen worden veroorzaakt, wordt genegeerd of vergeten.

Meer over