COLUMNCindy Hoetmer

Mevrouw? dacht ik, zoiets zeg je toch niet tegen iemand met een drugskater

Beeld Aisha Zeijpveld

Normaal gesproken doe ik niet zoveel bijzonders, maar kort voor de lockdown was er eindelijk weer eens een boek van mij uitgekomen dus lagen er wat uitnodigingen om ergens voor te lezen; van die avonden met gecompliceerd openbaar vervoer en ongemakkelijke momenten. 

Ook had ik een mail ontvangen van Saskia Noort, die ik niet persoonlijk ken, waarin ze vroeg of ik zin had om voor te lezen op Lowlands, met Stella Bergsma en nog een hele bups vrouwelijke schrijvers. Daarop had ik bevestigend geantwoord, want ik krijg niet iedere dag verzoeken van bestsellerauteurs, en ik zeg sowieso overal ja op. Maar, had ik erbij gezegd, verwacht geen spetterende performance. Ik ben een zenuwlijer die struikelt over woorden.

Toch las ik al twee keer eerder voor op Lowlands.

Als bezoeker ben ik ook een paar keer op Lowlands geweest, maar festivals heb ik altijd al doodvermoeiend gevonden. Ik ga nog altijd graag naar optredens, maar één band per keer vind ik genoeg. Ik kan me niet lang concentreren en houd ook niet van staan.

Van de eerste keer voorlezen op Lowlands herinner ik me niet veel (het was waarschijnlijk niet erg goed), de tweede keer was gedenkwaardiger. Het is een jaar of tien geleden, en ik was uitgenodigd door de toenmalige redactie van Propria Cures (een literair studentenblad) om een ‘erotisch’ verhaal voor te lezen.

De studenten hadden me uitgelegd waar ze hun kamp hadden opgezet, maar ik begreep niets van de instructies. Camping twee bestond uit een oneindige zee van kleurige koepeltentjes, en toen ik een willekeurig vierkantje gras zag met uitzicht op een toiletblok, zette ik mijn tent er neer. Ik legde mijn spullen binnen en wandelde naar het podium.

In de backstageruimte – een sfeerloze barak – ging ik op zoek naar alcohol. Om mijn zenuwen te verdoven dronk ik in die tijd vóór elk optreden drie wodka (tegenwoordig neem ik overigens valeriaan), dat hielp enigszins. Ik zou nog steeds stotteren maar er kwam tenminste geluid uit mijn keel. Ik ging op zoek naar wodka, maar vond tot mijn teleurstelling alleen maar frisdrank, broodjes en wat bier.

‘Waar is de sterke drank?’, riep ik. ‘Ik heb het nodig tegen de zenuwen.’

‘O daar heb ik wel wat voor, loop maar even mee’, antwoordde iemand die me vaag bekend voorkwam, een muzikant. Ik liep achter hem aan naar buiten, een andere tent in en toen weer naar buiten. Daarna leidde hij mij naar een hoekje, waar ik een plastic bord met poeder gepresenteerd kreeg.

‘Wat is dat?’, vroeg ik, niet omdat ik omdat ik onnozel ben, maar omdat ik wodka verwachtte en dat bestaat niet in poedervorm.

‘Speed’, zei hij. ‘Dat helpt.’

Ik had het nog nooit genomen, maar snoof het niettemin op, want dit was een noodgeval. Ook backstage werd gecontroleerd, en ik hoopte dat ik geen drugs in mijn neus had gestopt die in iemands onderbroek waren gesmokkeld.

Mijn voorleesbeurt ging inderdaad prima. Misschien las ik wat sneller dan anders, en misschien was ik onverstaanbaar, maar het voelde goed.

De rest van de avond drentelde ik rond in mijn eentje. Ik wilde bands zien maar arriveerde telkens te laat, of bij de verkeerde tent. Als door een wonder kwam ik ’s nachts op de juiste camping terecht en vond ik zelfs mijn tentje. De volgende ochtend werd ik wakker in een grafstemming. Ik was koud en duizelig en voelde me de eenzaamste persoon ter wereld. Later hoorde ik dat je van speed een zogenaamde comedown krijgt, een mentale kater die voelt als een acute depressie. Helaas zit bij illegale drugs geen bijsluiter.

‘Gaat het mevrouw?’, vroeg een vriendelijke jongeman, toen ik bibberend over de camping liep op zoek naar koffie.

Mevrouw? Mevrouw? dacht ik, zoiets zeg je toch niet tegen iemand met een drugskater.

Ik was toen in de 40 en ben inmiddels 53. Het optreden gaat natuurlijk niet door, zoals zoveel deze zomer. Misschien is dat maar beter. 

Meer over