Opinie

Met jezelf verplaatsen in de ander zijn jij en die ander niet vanzelf gelijk

Met jezelf verplaatsen in de ander zijn jij en die ander niet vanzelf gelijk, betoogt Saskia Pieterse, naar aanleiding van het debat rond de vertaling van Amanda Gormans poëzie.

Eline Vere, Hummelinck Stuurman Beeld Ben van Duin
Eline Vere, Hummelinck StuurmanBeeld Ben van Duin

Multatuli was in 1863 weinig enthousiast over de afschaffing van de slavernij. In zijn voorstelling van zaken hechtten jonge kinderen die in slavernij leefden vaak aan hun meester als ware het hun vader. Die zachte familiebanden zouden door de afschaffing van de slavernij voorgoed kapot worden gemaakt. Tegenwoordig herinneren we ons Multatuli het liefst als vurig strijder tegen koloniaal onrecht. Generaties schoolkinderen lazen uit Max Havelaar het invoelende verhaal Saïdjah en Adinda. Maar zijn denkbeelden over slavernij laten zien: invoelend schrijven over een ander is nog niet hetzelfde als de ander zien als een gelijke.

In het debat dat ontstond rond de keuze van uitgever Meulenhoff om de poëzie van de Amerikaanse Amanda Gorman te laten vertalen, werd voortdurend een beroep gedaan op het idee dat literatuur je in staat stelt je ‘te verplaatsen in een ander’. Wilma de Rek schreef dat dat de kern van literatuur is. Stephan Sanders stelde: ‘empathie begint daar, waar verschillen overwonnen moeten worden’.

Zo liepen er twee discussies langs elkaar heen. Aan de ene kant een die gaat over ‘institutionele gelijkwaardigheid’: welke keuzes worden waar en wanneer in de uitgeefketen gemaakt, in wie wordt er geïnvesteerd en kan zo bouwen aan naamsbekendheid, een stevig netwerk en krachtige economische positie? En aan de andere kant de discussie over de vraag hoe literatuur, via de verbeeldingskracht, ons in staat stelt verschillen te overbruggen -- zoals door De Rek en Sanders aangevoerd.

Maar: empathie is nog geen gelijkheid. In de schoenen van een ander gaan staan, je menselijk verbeeldingsvermogen aanwenden tot begripvol meeleven – op het eerste oog lijkt het de hoogste vorm van humanistische cultuur.

De grote kracht van de 19de-eeuwse realistische romans is dat je tot in detail een onbekend mensenleven lijkt aan te kunnen raken. Op pagina één, nog vele honderden te gaan, stap je in het langzaam voortbewegend kabelbaantje van de empathische verbeelding. Met een beetje geluk is er een violist bij, en een thermoskan met warme chocomel. Boven op de berg is er prachtig uitzicht en ontdekken ‘we’ wat ‘we’ allemaal aan menselijke eigenschappen met elkaar delen. Neem Louis Couperus: hoe prachtig schreef hij niet over het geconflicteerde innerlijk leven van een jonge vrouw in Eline Vere?

Maar Couperus vond ook het feminisme van zijn eigen tijd een discutabel verschijnsel, omdat de ‘natuur van de vrouw’ nu eenmaal verlangt naar onderwerping aan de man. In de westerse literaire canon wemelt het van schrijvers die aan onderdrukte groepen een complex innerlijk leven toedichtten, terwijl zij zelf tegelijkertijd een diep conservatief wereldbeeld hadden, waarin een door de maatschappij geschapen hiërarchisch onderscheid wordt voorgesteld als een door de natuur gegeven ordeningsprincipe. In de context van kolonialisme en racisme was het denken ronduit dehumaniserend: medeleven werd verstrekt op voorwaarde van de permanente onmondigheid (en dus: ontmenselijking) van de ander. Zoals James Baldwin over Harriet Beecher Stowe’s Uncle Tom’s Cabin stelde: ‘Sentimentality is the signal of secret and violent inhumanity, (…) the mask of cruelty.’

Toegegeven, de voorbeelden die ik geef komen uit een ver verleden. Toch is die 19de eeuw van belang om te begrijpen waar 20ste-eeuwse emancipatiebewegingen om draaiden. Emancipatie ging om meer dan alleen gelijke burgerrechten, het ging om de strijd tegen de ‘welwillende’ maar neerbuigende blik van de ander. Het kost mentaal werk om los te komen van die geschiedenis waarin mensen verkleind werd tot object van medelijden, of tot exotisch lustobject gemaakt. Het draaide in de strijd om het recht tot zelfbeschrijving, om een interpretatie van het eigen leven op eigen voorwaarden. ‘Baas in eigen boek’, zoals Maaike Meijer het in haar proefschrift in De lust tot lezen. Nederlandse dichteressen en het literaire systeem in 1988 kort en krachtig samenvatte.

Daarin interpreteerde ze vrouwelijke dichters volgens feministische interpretatiekaders. Haar punt was niet dat ergens in de schaduw van de mannelijke canon er ‘ook’ vrouwenliteratuur bestaat die je ‘ook’ langs feministische lijnen kan lezen. Haar standpunt was dat de dichteressen die ze besprak, en haar wetenschappelijke werk daarover, zich net zo goed in het centrum van onze cultuur bevinden. Dat feminisme verkeerde niet in een isolement, maar was verbonden met de strijd om hetero-normatieve en witte denkkaders te doorbreken.

Toen Toni Morrison in 1970 Sula publiceerde, merkte een criticus op dat ze er goed aan zou doen over iets anders te schrijven dan kleine verhalen over zwarte mensen uit het Amerikaanse verleden. Ze was als schrijver immers goed genoeg voor de grote, ‘universele’ thema’s, en zou daarom het beperkte hokje van ‘zwarte vrouwelijke schrijver’ kunnen overstijgen.

Morrison kwalificeerde dergelijke opmerkingen onomwonden als racistisch. Inderdaad, zij schreef over zwarte levens, en sterker nog, ze schreef in de eerste plaats voor zwarte lezers. Dat laatste hield in dat ze in haar boeken geen moeite deed tegemoet te komen aan de witte blik door dingen toe te lichten voor witte Amerikanen.

Literatuur heeft geen tussenkomst van een witte autoriteit nodig om waardevolle of ‘universele’ literatuur te zijn. ‘It’s inconceivable that where I already am is the mainstream’, zei Morrison overtuigend in een interview 1998. Onvoorstelbaar, voor de witte mensen die zichzelf wél altijd en zonder nadenken het centrum kunnen wanen.

Nu pakt een jonge generatie de draad op van die 20ste-eeuwse emancipatiestrijd. Ook vandaag is er dat streven de eigen thema’s universeel te kunnen laten zijn, om zo op gelijkwaardig niveau te kunnen participeren in de cultuur. Het meer traditionele literaire systeem staat nog overeind, maar het piept en kraakt. Boekhandels, uitgeverijen, literaire katernen, letterenstudies staan onder druk.

Die economische onzekerheid leidt ertoe dat het traditionele systeem halfslachtig probeert tegelijkertijd naar voren en naar achteren te bewegen. Zo bloeit er een groot en melancholisch verlangen naar de hoogtijdagen van Reve, Mulisch, Hermans en Wolkers. Tegelijkertijd leeft het besef dat het toch wel hoog tijd is voor meer ‘diversiteit’.

Maar het gaat er niet om dat de oude instituties (uitgeverijen, boekhandels, opleidingen et cetera) alles bij hetzelfde houden, plus een beetje meer ruimte maken voor wat dan omfloerst ‘nieuwe stemmen’ heet – een etiket dat precies het hele probleem blootlegt; want ‘nieuw’, vanuit wiens perspectief eigenlijk? De kwestie is: kan een cultuur een ander zwaartepunt krijgen, zonder dat er voortdurend hoeft te worden onderhandeld over de goedkeuring vanuit die door de traditie gevormde posities en denkbeelden? Baas in eigen boek dus, nog steeds, ook nu.

Saskia Pieterse is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht.

Meer over