Columnmax pam

Met genoegen en soms zelfs leedvermaak nemen we kennis van andermans tegenslagen

null Beeld -
Beeld -

In mijn jeugd luisterde ik naar een zanger die zich Peter Pech noemde. Hij zong voor de VARA-radio liedjes, waarin een leven vol kleine tegenslagen werd beschreven. Ik kan niet zeggen dat zijn zangkunsten een grote indruk op mij maakten, maar zijn korte krachtige naam die tevens een grote misantropie inhield, is mij altijd bijgebleven.

Volgens de Theaterencyclopedie heette hij in werkelijkheid Jan Hendrik Hahn (1902-1963). Ook in het dagelijks leven bleek hij de schlemiel waarvoor hij zich uitgaf, maar als artiest had hij met zijn pantoffelheld Peter Pech ineens succes, ook tot zijn eigen verbazing. Of Hahn joods was weet ik niet – vermoedelijk wel – maar in elk geval werd hij in 1941 gearresteerd, omdat hij Hitler had beledigd. Hij zou naar Dachau worden gedeporteerd, ware het niet dat hij dankzij de hulp van een vriend werd vrijgelaten. Werken mocht hij pas weer na de oorlog, onder meer voor de Hoorspelkern. Zijn eigen tv-shows liepen snel uit op een mislukking, maar hij speelde wel mee in Swiebertje. Daarin heette hij Sulletje Sijbel, dus je hebt geen groot inlevingsvermogen nodig om te begrijpen wat voor een soort personage hij vertolkte.

Hans Dorrestijn is een Peter Pech après la lettre, als je van zoiets kunt spreken, maar de pechvogel is natuurlijk een klassiek figuur. In de 16de eeuw gooide de meester een pop in de vorm van een vogel naar de leerling die zich misdroeg. Die moest de met erwten gevulde pop terugbrengen en kreeg vervolgens een pak rammel. De oude Grieken en Shakespeare wisten het ook al: zonder pech geen drama. In elk Hollywooddrama worden de rampen op elkaar gestapeld als de takken op een brandstapel. Heeft de hoofdpersoon een aanslag overleefd, dan komen de sneeuwlawine en het kapotte huwelijk er alweer aan. Voor ieder mens, zelfs voor ieder kind, is de eeuwige pechvogel een vertrouwde figuur. Vette pech! uit de serie Het leven van een loser heb ik vaak aan mijn zoon voorgelezen. Met genoegen en soms zelfs met leedvermaak, want wij nemen graag kennis van andermans tegenslagen, dat zit er van jongs af aan in.

De Nederlandse Olympische ploeg was door statistici bijna vijftig medailles voorspeld, waarvan zo’n achttien gouden. Sportcentrum Papendal, gelegen tussen zacht ruisende bossen, stond geheel in dienst van de Spelen en elke dag verschijnt op tv een sportwetenschapper die uitlegt hoe, met behulp van de laatste snufjes, topprestaties geleverd gaan worden door onze jongens en meisjes in Tokio.

Die vallen tot dusver wat tegen. Domme pech, of toch niet?

Annemiek van Vleuten kwam juichend over de finish – als tweede. Matthieu van der Poel viel over een plank, die de dag tevoren was weggehaald. Windsurfer Badloe werd gediskwalificeerd, een jongen op een kinderfietsje reed tegen een official op en brak zijn knie, een basketballer knakte zijn vinger uit de kom, een skateboardster knikkerde op onbegrijpelijke wijze op de grond terwijl ze juist voor lag, de resultaten van onze zeilkampioene vielen tegen omdat er te veel of te weinig wind stond, de hockeyers hadden een totale offday, een judoka deed iets stoms aan de rand van de mat en de waterpolosters moeten aan een inhaalrace beginnen. Een turner hield er helemaal mee op en met zwemmen werden we vierde. Wel staan we bovenaan in het besmettingsklassement, maar vanwege een positieve test trok de hele tennisploeg zich terug en moet de dubbel-acht straks met één riem minder. Logisch dat we elke avond kijken naar successen uit het verleden, die overigens geen garantie bieden voor de toekomst.

Een deskundige vertelde trouwens in een van de vele sportjournaals dat al die verliezende sporters zo snel mogelijk psychische hulp nodig hebben om hun leven na de Spelen weer op de rails te krijgen. Een KLM-vliegtuig vol psychiaters en psychotherapeuten schijnt al onderweg te zijn, maar ik vrees dat dat boven Singapore van de radar zal verdwijnen. ‘Pech’, zei de bekende Nederlandse voetbalfilosoof Johan Cruijff, ‘krijg je bij een negatieve instelling, geluk bij een positieve instelling.’

Zou het?

Als je daarin gaat geloven, kun jij bij een positieve instelling nooit meer domme pech krijgen en is domme pech altijd gewoon je eigen, domme schuld. Na hoeveel keer pech verandert pech in eigen schuld en wordt het iets systematisch? Een typisch Nederlands probleem. De Engelse taal kent niet eens een apart woord voor pech. Daar heet het bad luck. Dat klinkt als geluk, waarbij de munt toevallig – als een abnormaliteit – een keer de verkeerde kant is uitgevallen. Het zal wel geen toeval zijn dat sport juist in Engeland is uitgevonden. ‘Je weet nooit of bad luck tenslotte good luck blijkt te zijn’, zei Churchill.

En die won voor ons de oorlog.

Meer over