Opinie

Met alleen ‘veerkracht’ zijn Syrische vluchtelingen niet geholpen

Zomin als een neoliberale eigen-boontjes- doppenbeleid ze zelfredzamer maakt. Europa moet dus ruimhartiger helpen, betogen Nora Stel en Rosanne Anholt.

Duizenden migranten overnachten op straat in Lesvos, Griekenland, nadat het gehele Moria kamp is afgebrand. Van het kamp is niets meer over.  Beeld Joris Van Gennip
Duizenden migranten overnachten op straat in Lesvos, Griekenland, nadat het gehele Moria kamp is afgebrand. Van het kamp is niets meer over.Beeld Joris Van Gennip

Gisteren en eergisteren organiseerde de Europese Unie samen met de Verenigde Naties alweer de vijfde Brusselse conferentie over Syrië. Wederom ging de discussie het over investeren in de ‘veerkracht’ van regionale gastlanden die Syrische vluchtelingen opvangen en over de ‘zelfredzaamheid’ van vluchtelingen als dé manier om ‘perspectief in de regio’ te bieden. Hoewel dat veelbelovend klinkt, komt veerkracht in de praktijk te vaak neer op het afschuiven van verantwoordelijkheid.

In de afgelopen tien jaar raakten 13 miljoen Syriërs ontheemd. Daarvan ontvluchtten 6,6 miljoen het land. De internationale conferentie in EU-hoofdstad Brussel heeft als belangrijk doel het bestendigen van de Europese respons op deze vluchtelingencrisis. Die respons kan worden samengevat in één ideaal: ‘opvang in de regio.’

Verreweg de meeste Syrische vluchtelingen – 5,6 miljoen – worden opgevangen door buurlanden Turkije, Libanon en Jordanië. Zulke regionale opvang is vaak in lijn met de voorkeuren van vluchtelingen zelf. Er wordt echter door Europa ook alles op alles gezet om regionale gastlanden te overtuigen de vluchtelingen binnen hun grenzen te houden.

Na een decennium Syrische ontheemding wordt die aanpak steeds problematischer. Regionale gastlanden hebben last van toenemende politieke en economische instabiliteit, hoge werkloosheid en sociale spanningen. Hoewel Turkije, Libanon en Jordanië al jarenlang op indrukwekkende wijze

Syriërs opvangen, neemt het maatschappelijk draagvlak hiervoor in rap tempo af. Het Europese antwoord op deze ontwikkelingen is het inzetten op resilience, veerkracht, een term die de laatste jaren de alfa en omega van het ‘perspectief in de regio’-beleid lijkt te zijn geworden.

De EU is de grootste donor van het Regional Refugee and Resilience Plan dat is bedoeld voor veerkrachtige lokale instituties en zelfredzaamheid van vluchtelingen. Maar ‘veerkracht’ is een een dubbelzinnig en contextafhankelijk concept: veerkrachtig kunnen reageren op een financiële crisis vraagt om andere maatregelen dan op maatschappelijke polarisatie. Het vergroten van de veerkracht van een persoon vereist een andere aanpak dan van een overheidsinstantie.

De dominante interpretatie van de EU lijkt echter een vooral neoliberale focus op de economische zelfredzaamheid van vluchtelingen. Hoewel er ook wordt geïnvesteerd in onderwijs en zorg, lijkt de prioriteit steeds meer te liggen bij het creëren van banen en het ondersteunen van ondernemerschap.

Zo moet Jordanië in ruil voor Europese ontwikkelingshulp 200 duizend werkvergunningen verstrekken aan Syrische vluchtelingen. Dat klinkt als een win-winsituatie, maar is het lang niet altijd. Het primaire recht van vluchtelingen op bescherming dreigt ondergeschikt te raken aan de impliciete plicht tot zelfredzaamheid.

Door te investeren in hun veerkracht, worden de regionale gastlanden verantwoordelijk gemaakt voor de langdurige opvang van Syrische vluchtelingen. Maar deze landen kampen niet alleen met een groot gebrek aan capaciteit om vluchtelingen de bescherming te bieden die ze volgens het internationaal recht toekomt, in sommige gevallen ontbreekt ook de politieke wil voor wat zij zien als de facto integratie.

Zo zet Libanon, het land dat wereldwijd de meeste vluchtelingen opvangt per hoofd van de bevolking, vluchtelingen steeds meer onder druk om terug te keren naar Syrië, terwijl de VN stelt dat Syrië absoluut niet veilig is. Libanon heeft het internationale vluchtelingenverdrag niet ondertekend, heeft geen nationaal asielbeleid, erkent Syriërs niet als vluchtelingen en ondermijnt systematisch elke mogelijkheid tot legaal verblijf. De gevolgen zijn structurele schendingen van mensenrechten.

In zo’n situatie, die voor vluchtelingen ronduit vijandig is, is een beperkte focus op economische zelfredzaamheid een farce. Zelfs in landen waar meer politieke wil is om vluchtelingen langdurig en rechtmatig op te vangen, zoals Jordanië, pakt deze specifieke visie op zelfredzaamheid vaak problematisch uit.

De realiteit van het vaak geprezen EU-Jordanië Compact is bijvoorbeeld minder rooskleurig dan het lijkt. De economie van het land is grotendeels informeel, de werkloosheid torenhoog. Wanneer vluchtelingen überhaupt aan de slag kunnen, is er vrijwel geen sociale bescherming en zijn uitbuiting en discriminatie de norm.

De internationale donoren die ‘de toekomst van Syrië en de regio’ medebepalen, zouden moeten waken voor een te beperkte neoliberale invulling van veerkracht als ‘eigen boontjes doppen’ en ‘niemand tot last zijn’.

Laten we dit begrip breder, en socialer, opvatten als het waarborgen van de omstandigheden die nodig zijn om op een menswaardige manier voor jezelf en je naasten te zorgen. Als Europa moeten we committeren aan hulp voor Syriërs op de lange termijn, en die aanwenden om hun bescherming te garanderen. Pas dan heeft het zin om te spreken over veerkracht of zelfredzaamheid.

Nora Stel is universitair docent conflictstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Rosanne Anholt is universitair docent bestuurskunde aan de Vrije Universiteit en onderzoekt het begrip veerkracht in het beleid en de praktijk van internationale veiligheid

Meer over