Megastallen? Nee!

Grootschalige veehouderij vernielt het landschap en brengt geen werk.

Burgerinitiatief/Petitie inzake de gevolgen van de schaalvergroting in de bio-industrie in Noord-Brabant


Geachte leden van Provinciale Staten,

Graag maken wij – verontruste inwoners van Brabant – gebruik van ons recht een burgerinitiatief op uw agenda te zetten. Ons initiatief betreft de Reconstructiewet, de provinciale Reconstructieplannen en met name de negatieve gevolgen van de concentratie, schaalvergroting en automatisering van de bio-industrie .

Het zal u niet ontgaan zijn dat ook in andere provincies het maatschappelijk draagvlak voor de mammoetbedrijven van de bio-industrie in snel tempo afbrokkelt. De enorme dierfabrieken die her en der in Oost- en Midden Brabant verrijzen, vernietigen de nog overgebleven open landschappen, tasten de leefomgeving en leefkwaliteit van de omwonenden aan en bedreigen de gezondheid en het welzijn van mens en dier.

Onverantwoord
Wij zijn daarom van mening dat het maatschappelijk onverantwoord is geworden om de provinciale Reconstructieplannen onverkort te handhaven. In het bijzonder vragen wij uw aandacht voor het feit dat er sinds de invoering van de Reconstructiewet in 2002 en de vaststelling van de provinciale Reconstructieplannen in 2005, sprake is van gewijzigde omstandigheden en inzichten.

Deze gelden enerzijds de economische positie van de intensieve bio-industrie, anderzijds de risico’s die deze industrie met zich meebrengt voor mens, dier en milieu, zowel binnen als buiten de grenzen van onze provincie.

Omdat de provincie Brabant de strenge regel hanteert dat slechts onderwerpen waarover in de laatste vier jaar geen besluitvorming heeft plaatsgevonden voor een burgerinitiatief in aanmerking komen, verzoeken wij u gebruik te maken van uw bevoegdheid van deze regel af te wijken en dit burgerinitiatief toch in behandeling te nemen.

Petitie
Mocht u daartoe niet bereid zijn, dan verzoeken wij u deze brief als een petitie in de zin van art. 5 Grondwet te beschouwen. In dat geval is er, gegeven de omvangrijke adhesie van Brabantse burgers, sprake van een volkspetitie.

Hieronder volgt een toelichting op onze bezwaren tegen de huidige ontwikkelingen in de intensieve veehouderij in Brabant, alsmede een aantal verzoeken om actie.

\\"piggie_200\\"

1. De Reconstructiewet

Hoe logisch en juist leek indertijd de Reconstructiewet! Na de varkenspest van 1997 met haar dramatische gevolgen moest herhaling worden voorkomen. Nooit meer zouden zo veel dieren dicht bijeen mogen staan.

Besloten werd corridors te vormen en de intensieve veehouderij in afgelegen gebieden te concentreren. In deze zgn. Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s) zouden intensieve veehouders – op veilige afstand van burgers en kwetsbare natuur - de mogelijkheid krijgen om hun gezinsbedrijven uit te breiden ten einde de Europese concurrentie het hoofd te bieden. Het welzijn van dieren zou met strengere regels worden beschermd.

Tevens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om, in het kader van de reconstructie van het platteland, de kwaliteit van natuur, landschap, milieu en water te verbeteren. Aan de trage bestuurlijke processen ter bescherming en ontwikkeling van natuur zou een nieuwe impuls worden gegeven.

Daartoe werd het platteland opgedeeld in drie zones. In extensiveringsgebieden zou bescherming en ontwikkeling van natuur, landschap en woonmilieu prioriteit krijgen. In verwevingsgebieden zou een harmonieus evenwicht tussen wonen, recreatie en bij de aard en kwaliteit van het gebied passende landbouw worden bewerkstelligd. In landbouwontwikkelingsgebieden zouden intensieve veehouderijen ruime doorgroeimogelijkheden krijgen.

Win-winsituatie

Kortom, de relocatie van intensieve veeteeltbedrijven zou leiden tot een verbetering van de ruimtelijke structuur en tot een win-win situatie. Intensieve veehouderijen kregen meer ruimte op daarvoor geschikte locaties. Burgers werden niet meer blootgesteld aan de stank, het lawaai en de uitstoot van gevaarlijke stoffen. Het welzijn van de dieren werd bevorderd.

De natuur zou zich herstellen van verzuring, vermesting, verdroging en versnippering en voortaan beter zijn beschermd. En de verrommeling van het platteland – een van de grootste ergernissen van burgers – werd door deze zonering tegengegaan. Wie zou tegen dit tekentafel-model bezwaar kunnen maken? Indien het inderdaad was gerealiseerd, zou er sprake zijn geweest van een indrukwekkende bestuurlijke operatie, die op grote instemming van de Brabantse burgers had kunnen rekenen.

2. Het voorlopige resultaat

We zijn nu zeven jaar verder, er zijn miljoenen uitgegeven aan planvorming en projectontwikkeling. Maar wat is het resultaat? De reconstructie dreigt uit te monden in haar tegendeel, namelijk in de destructie van het platteland. Wie in één oogopslag wil zien hoe omvangrijk het buitengebied is dat wordt opgeofferd aan de bio-industrie, kan de provinciale reconstructiekaart er op na zien.

Tussen zeer kwetsbare natuurgebieden, onder de rook van woonkernen en midden in open landschappen worden in Midden- en Oost-Brabant maar liefst 50 landbouwontwikkelingsgebieden ingericht ten behoeve van een mammoet bio-industrie die op wereldschaal zou moeten kunnen concurreren. Overeenkomstig de provinciale Reconstructieplannen mogen de bio-industriële ondernemers in deze gebieden fabrieken laten bouwen met een omvang van 2.5 tot 3.5 hectare (5 à 7 voetbalvelden).

Biogasinstallaties
Daarnaast verrijzen er omvangrijke mestverwerkinginstallaties en biogasinstallaties.
Het gaat dus niet meer om uitbreiding van duurzame gezinsbedrijven – zoals de Reconstructiewet beoogde - maar om vestiging van agro-industriële complexen die het open landschap vernietigen, de natuur aantasten en de gezondheid en welzijn van burgers bedreigen.

De inrichting van deze landbouwontwikkelingsgebieden betekent een enorme aanslag op het buitengebied. Er moet immers een aangepaste infrastructuur worden ontwikkeld ter wille van het intensieve transport van varkens, kippen, kalveren, kadavers, veevoer, mest en chemicaliën. Landwegen moeten worden verbreed en zandpaden verhard, bomen moeten worden gekapt. Bij het opstellen van de Reconstructieplannen is hiermee geen rekening gehouden.

Wie had gehoopt dat de Reconstructiewet en de provinciale Reconstructieplannen wél gunstig zouden uitpakken voor de extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden, komt bedrogen uit.

Ondanks de Reconstructiewet zijn in extensiveringsgebieden nog steeds intensieve veehouderijen aanwezig en ze worden zelfs uitgebreid. Deze bio-industrieën tasten onverminderd de volksgezondheid, de natuur en het landschap aan. In verwevingsgebieden is het niet anders.

Vrij baan
Ook daar wordt nog steeds vrij baan gegeven aan uitbreiding van de intensieve veehouderij, ondanks de mogelijkheid die de overheid heeft om hier restrictief op te treden. Ook zijn lege milieuvergunningen in extensiverings- en verwevingsgebieden lang niet allemaal ingetrokken. De regel dat er geen intensieve veehouderij in een Landbouwontwikkelingsgebied mag worden gevestigd, wanneer niet tegelijkertijd in een extensiveringsgebied één of meerdere veehouderijen worden opgeheven ('geen inplaatsing zonder uitplaatsing'), wordt niet nageleefd.

Naar wij vernamen is deze regel kennelijk zó moeilijk uitvoerbaar dat men deze koppeling per 1 juli 2009 zelfs wil laten vervallen.
Van de beoogde win-winsituatie is dus niet veel terecht gekomen. Natuur, milieu, landschap, dierenwelzijn en volksgezondheid hebben het afgelegd tegen de bio-industrie en haar machtige belangenbehartigers: de ZLTO, het CDA en de Rabo-bank.

Bovendien zal de toename van bedrijven met een welhaast groteske omvang de doodsteek betekenen voor de traditionele gezinsbedrijven in de veehouderij.

Destructie

Burgers en belangenorganisaties die tegen deze destructie van het platteland en tegen de bedreiging van hun gezondheid in verzet komen, moeten zich in het keurslijf van ingewikkelde juridische procedures en fatale bezwaar- en beroepstermijnen wringen. Ondertussen gaan de verrommeling, verstening en vervuiling van het Brabantse platteland onverminderd voort.

In het licht van deze feitelijke ontwikkeling krijgt het devies van het bestuur van de provincie Brabant – 'naar een mooi, schoon en vitaal Brabant' – het karakter van volksverlakkerij.

3. Falend bestuur van provincie en gemeenten

De doelstellingen van de Reconstructiewet dreigen in hun tegendeel te verkeren. Wat ons als burgers daarbij vooral verontrust zijn de onkunde, de onzorgvuldigheden en zelfs de onrechtmatigheden die het openbaar bestuur aan de dag legt. Het vertrouwen van de burgers in het provinciale en gemeentelijke bestuur is daardoor aangetast. Wij geven u enkele voorbeelden.

a. De burgers, zelfs degenen die direct in of aan de rand van de Landbouwontwikkelingsgebieden wonen, zijn niet of onvoldoende betrokken bij de totstandkoming en ontwikkeling van de Reconstructieplannen. Hun is niet duidelijk gemaakt wat hen precies te wachten stond. Mede daarom kon het gebeuren dat verschillende Landbouwontwikkelingsgebieden slordig en onzorgvuldig werden aangewezen.

Ze blijken vaak te dicht bij woonkernen, te dicht bij burgerwoningen, te dicht bij kwetsbare natuur, te dicht bij of zelfs ín gebieden met grote cultuurhistorische waarden te liggen. Door burgers niet op tijd te informeren, lijkt er bewust voor een overvaltactiek te zijn gekozen. Burgers worden plotsklaps geconfronteerd met de komst van enorme stalcomplexen.

Deze vernietigen niet alleen hun uitzicht en leefomgeving, maar bedreigen ook hun gezondheid door de uitstoot van ammoniak en fijnstof, en door de verspreiding van micro-organismen (bacteriën, virussen) en hinderlijke stank. In de evaluatie van de Reconstructiewet die het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid heeft laten uitvoeren, wordt het negeren van de burgers als een van de belangrijkste kritiekpunten naar voren gebracht.

b. Onzorgvuldig en zelfs misleidend is het taalgebruik dat in het kader van de Reconstructie wordt gebezigd. De bio-industrie wordt aangeduid met de verhullende term 'niet grondgebonden landbouw'. Maar wat is 'niet grondgebonden landbouw'? Daar kan toch niets anders mee worden bedoeld dan landbouw en veeteelt die geen akker-, gras- of weidegronden nodig hebben?

Waarom dan toch deze schaarse gronden ter beschikking gesteld? Waarom midden in het Brabantse landschap enorme veefabrieken neerzetten, als deze gesloten en met groen gecamoufleerde beestenbunkers géén gebruik maken van het platteland, maar daarop wél beslag leggen? De verborgen dieren in Brabant - de varkens, kalveren en kippen in de bio-industrie - zien van geboorte tot slacht immers nooit één sprietje gras en nooit één glimp buitenlicht.

De bio-industrie verschilt in dat opzicht niet van andere industrieën, bijvoorbeeld de auto-industrie. Het veelgehoorde voorstel om deze bio-industrieën te verplaatsen naar industrieterreinen heeft dan ook een dwingende logica, al blijft het gelijkstellen van dieren aan industriële producten voor veel mensen emotioneel en moreel onverteerbaar.

Duurzaam
Alleen als het inderdaad zou gaan om duurzame agrarische gezinsbedrijven – zoals oorspronkelijk de bedoeling was – zou vestiging op het platteland in de rede liggen. Maar ook de – inmiddels bedachte - eufemistische term “gezinsbedrijf plus” getuigt van misleidend taalgebruik.

Want het blijkt te gaan om de ontwikkeling van agro-industriële complexen waar honderdduizenden varkens en kippen in gesloten ruimtes mechanisch worden opgefokt. Met een boerengezinsbedrijf heeft deze ontwikkeling niets meer van doen.

Deze onbeschaafde industrie wensen wij niet in Nederland, niet alleen vanwege de omstreden behandeling van dieren in deze fabrieken, maar ook om een andere reden. Als de intensieve veehouderij niet langer 'grond gebonden’ is, waar halen de dieren dan hun voedsel vandaan?

Kennelijk van gronden elders in de wereld. En wel de Derde Wereld. Het veevoer dat daar wordt geproduceerd, gaat ten koste van het voedsel voor de lokale bevolking en ten koste van de natuur. Bossen worden gekapt en biodiversiteit verdwijnt.

c. Misleidend is ook het standaard-antwoord dat verontruste burgers van provincie en gemeentes krijgen op hun bezwaren tegen de effecten van megastallen op milieu en gezondheid. De luchtwassers zouden, zo wordt steevast aangevoerd, dankzij de verplicht voorgeschreven best beschikbare technieken per saldo tot vermindering van uitstoot van schadelijke stoffen leiden.

Maar dat is maar helemaal de vraag. Tot nog toe is niet één luchtwasser gecertificeerd. Landbouw Universiteit Wageningen verwacht dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat adequate luchtwassers zijn ontwikkeld.

Onjuist
De burgers worden dus op onjuiste gronden gerustgesteld. Bovendien zijn de huidige luchtwassers fraudegevoelig. Om de hoge energiekosten te drukken, worden ze niet zelden ’s nachts of in het weekend uitgezet, zoals buurtbewoners maar al te vaak tot hun ergernis kunnen ruiken.

Ter wille van goede verstandhoudingen met de buren, durven ze de stankoverlast echter niet te melden bij de milieu-inspectie. En uit zichzelf onderneemt de milieu-inspectie, zo leert de ervaring, weinig actie. Misleidend is overigens ook hier het taalgebruik. In de stankwetgeving wordt niet over stank gesproken, maar over odeur en odeur-units, alsof het om een parfumerie-industrie zou gaan.

d. Onzorgvuldig en zelfs onrechtmatig is voorts het feit dat door gemeentes nog steeds vergunningen worden afgegeven voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen in extensiverings- en verwevingsgebieden. Overal breiden intensieve veehouderijbedrijven uit, of ze nu gelegen zijn nabij woonkernen, langs bosranden of nabij andere kwetsbare natuur.

Regels
Weet de machtige bio-industrie de gemeentelijke regels naar haar hand te zetten? Of is er sprake van bestuurlijke onwil en onkunde? Feit is in ieder geval dat gemeenteraadsleden over het algemeen onvoldoende kennis hebben van de ingewikkelde materie van het ruimtelijk ordeningsrecht en het systeem van milieuvergunningen.

Ook bij gemeenteambtenaren blijkt die kennis vaak onvoldoende. Naar onze mening is de bestuurlijke onkunde op het niveau van de gemeentes een van de belangrijkste oorzaken van het falen van de Reconstructie.

e. En hoe staat het met de bescherming en ontwikkeling van natuur, landschap en milieu die ons in de Reconstructieplannen waren beloofd?
Een van de hoofddoelstellingen daarin betreft het terugdringen van de ammoniakemissies uit de landbouw.

Ammoniak
Overeenkomstig Europese afspraken en afspraken die met andere provincies in 2000 werden gemaakt, diende de ammoniakemissie met ongeveer de helft te worden verminderd. Recent onderzoek laat echter zien dat van deze doelstelling niets terecht komt.

Sinds 2005, het jaar waarin de Reconstructie van start ging, blijft de emissie zich op hetzelfde, veel te hoge, niveau bevinden.
Ook werd beloofd dat de aanleg van de ecologische hoofdstructuur zou worden versneld.

Deze realisering van nieuwe natuur komt niet alleen planten en dieren ten goede, maar ook burgers. Natuur is belangrijk voor het welbevinden van de burger, als rust- en ontspanningsgebied, voor de vastlegging van CO2 en voor het filteren van fijnstof uit de lucht.

Het college van GS heeft zich echter onlangs gedistantieerd van deze doelstelling en heeft laten weten dat de Rijksdoelstelling (EHS gereed in 2018) wellicht niet haalbaar is in Brabant.

Stilte
Kernkwaliteiten van natuurgebieden, zoals stilte en duisternis, zouden worden verbeterd. Ook zou er actie worden ondernomen om verdroging, versnippering en bedreiging van leefgebieden van kwetsbare soorten tegen te gaan. Ten aanzien van deze Reconstructiedoelen wordt eveneens veel te weinig voortgang geboekt. Het lijkt er derhalve op dat de uitvoering van de reconstructie uitmondt in een eenzijdige economische ontwikkeling van het platteland, terwijl de omgevingsdoelen uit de Reconstructieplannen achterblijven.

Hierdoor is een scheefgroei ontstaan die de evenwichtige ontwikkeling van natuur en landbouw die de Reconstructieplannen beoogden, illusoir maakt.

4. Nieuwe economische omstandigheden

Niet alleen de onbehoorlijke en onevenwichtige uitvoering van de Reconstructieplannen dwingen tot wijziging van beleid. Ook de ingrijpend gewijzigde economische omstandigheden in de intensieve veehouderij maken heroverweging van de uitgangspunten en doelstellingen van de Reconstructie dringend noodzakelijk.

Zo werd er indertijd van uitgegaan dat bestaande agrarische familiebedrijven naar de concentratiegebieden zouden worden overgeplaatst. Geen rekening werd gehouden met de opkomst van een nieuw type ondernemers: de agrarische grootindustriëlen.

Deze opereren op een heel andere schaal. Het gaat niet meer om duizenden, maar om tienduizenden dieren per bedrijf, en in het geval van kippen zelfs om meer dan een miljoen dieren.

De bedrijfsvoering in deze dierfabrieken wordt steeds verder geautomatiseerd. Arbeidsplaatsen worden afgestoten en het personeel dat nog nodig is, is niet langer hoog gekwalificeerd, maar wordt vervangen door niet-gekwalificeerde buitenlandse werknemers.

Bedrijfsmodel
Daarnaast zien we een nieuw type bedrijfsmodel opkomen dat berust op clustering van bestaande agrarische bedrijven. Deze bedrijven willen niet worden overgeplaatst, maar trachten te overleven door hun administratie, inkoop en verkoop in een gezamenlijke organisatie onder te brengen. Deze bedrijven hebben dus helemaal geen LOG nodig.

Ondertussen is de concurrentie tussen de grootschalige en kleinschalige veehouders zodanig verscherpt, dat zich een feitelijke koude sanering voltrekt. De agrarische familiebedrijven dreigen in snel tempo te verdwijnen. Ook met dat feit is indertijd kennelijk geen rekening gehouden.

Langere termijn
Andere onvoorziene ontwikkelingen maken eveneens heroverweging van de Reconstructiewet noodzakelijk. Zo wordt inmiddels op het ministerie van LNV binnenskamers ernstig getwijfeld aan het Europese en mondiale concurrentievermogen op langere termijn van de Nederlandse intensieve varkenshouderij.

Naar verwachting zal de Nederlandse varkensindustrie binnen een periode van 10 jaar worden weggeconcurreerd door de bio-industrieën in Oost-Europa en het Verre Oosten.

Daar bestaan immers geen ruimtegebrek en personeelsgebrek. Bovendien zijn de milieu-eisen er voorlopig veel minder streng. Zou de drastische inkomensdaling waarmee de varkenssector in 2008 te maken kreeg, een voorbode van die onhoudbare concurrentiepositie zijn?

Rabo-bank
Blijkens het meest recente branche-rapport van de Rabobank zullen er – als gevolg van de concurrentieverhoudingen op wereldschaal - in 2015 nog maar 1500 grootschalige intensieve varkenshouderijen in Nederland actief zijn. Mede daarom heeft de Rabobank, naar wij vernamen, besloten om de komende jaren een restrictief kredietbeleid te voeren ten aanzien van de intensieve veehouderij.

Tenslotte blijken de ontwerpers van de Reconstructiewet en de Reconstructieplannen een verkeerde inschatting van het Europese mededingingsrecht te hebben gemaakt. De provincie Noord-Brabant althans maakt zich door de hoge subsidies aan de grootschalige bio-industrie schuldig aan ongeoorloofde staatssteun, aldus een recente uitspraak van de Europese Mededingingsautoriteit.

Kredietcrisis
En bij dit alles komt dan ook nog de kredietcrisis, die rijk en provincies dwingt tot heroverweging van de bestuurlijke prioriteiten. De provincie Noord-Brabant heeft laten weten de schaarser wordende middelen in te gaan zetten voor een toekomst-bestendige industriepolitiek en voor een werkgelegenheidspolitiek. Wat betekent dit voornemen voor de grootschalige bio-industrie?

Toekomst-bestendig is deze industrie allerminst. En veel werkgelegenheid blijkt deze, naar volledige automatisering strevende, industrie evenmin te verschaffen.
Wordt het op grond van deze ingrijpend gewijzigde omstandigheden niet hoog tijd dat het provinciebestuur zich gaat afvragen wat eigenlijk de reële overlevingskansen zijn van de Nederlandse grootschalige bio-industrie?

En of het nog maatschappelijk en economisch verantwoord is om ten behoeve van deze industrie honderden miljoenen overheidsgeld te investeren en grote delen van het Brabantse platteland te vernietigen?

5. Nieuwe wetenschappelijk inzichten

Ook nieuwe wetenschappelijke inzichten in de risico’s van de grootschalige bio-industrie voor de volksgezondheid, dwingen tot heroverweging van de Reconstructiewet.

Bewegingsruimte
Het levenslang opsluiten van dieren in megastallen, zonder bewegingsruimte, daglicht of frisse lucht maakt dieren vatbaar voor ziektes. Het is daarom niet verwonderlijk dat in de intensieve veehouderij het antibioticagebruik nog altijd toeneemt. De resistentie bij varkens en kippen tegen ziekteverwekkers is in de afgelopen jaren verhoogd.

Daarbij komt dat tegen antibiotica resistente bacteriën zich langer kunnen handhaven naarmate een bedrijf groter is. Waar bedrijfsgrootte en veedichtheid toenemen, is tevens een toename te verwachten in het vóórkomen en verspreiden van infectieziektes die kunnen worden overgedragen van dieren op mensen, zoals influenza, salmonella, Q-koorts, MRSA en antibioticumresistentie (zogenaamde zoönosen).

Veedichtheid
Er is dus een aantoonbaar verband tussen bedrijfsgrootte en veedichtheid in een gebied enerzijds, en de insleep en de frequentie van zoönosen op een bedrijf anderzijds, zo stelt wetenschappelijk onderzoek.

Om insleep van micro-organismen te minimaliseren zou een toename in de bedrijfsgrootte gepaard moeten gaan met voldoende afstand tussen bedrijven. Voor verspreiding van (dier)ziekten zullen de bedrijven minimaal 1 à 2 kilometer van elkaar verwijderd moeten zijn, zo stelt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een vorig jaar verschenen studie.

Uit de plannen die de provincie en gemeenten op stapel hebben staan, blijkt niet dat zij kennis hebben genomen van dit advies van het RIVM. De stallen worden gewoon vlakbij elkaar gepland.

Potentie
Dezelfde studie van het RIVM stelt eveneens dat een groter bedrijf, eenmaal geïnfecteerd, uiteraard de potentie heeft om meer micro-organismen te verspreiden dan een kleiner bedrijf, bijvoorbeeld via de lucht en via het uitrijden van mest.

Geruststellend voegen de rapporteurs daaraan toe dat het aantal omwonenden echter zal afnemen omdat de ontwikkeling van een megabedrijf in een Landbouwontwikkelingsgebied alleen mogelijk is indien er in een extensiveringsgebied of verwevingsgebied een bedrijf verdwijnt.

Maar deze optimistische constatering dat een megabedrijf alleen mogelijk is in een Landbouwontwikkelingsgebied gaat, zoals we hierboven vaststelden, in de praktijk niet op.

Bovendien zijn de landbouwontwikkelingsgebieden niet bepaald onbewoonde gebieden, zoals de rapporteurs lijken aan te nemen. En als de infectieziekten slechts overslaan op een gering aantal mensen, is het blootstellen van deze kleine groep mensen hieraan dan geoorloofd?

Slijm
Er zijn recentelijk meerdere studies gedaan naar de gezondheidseffecten van werknemers in de intensieve veehouderij. Onder deze werknemers worden veel luchtwegklachten gevonden, waaronder hoesten, slijm opgeven, kortademigheid en benauwdheid.

Daarnaast heeft een deel van de werknemers andere klachten zoals rillingen, transpireren, koorts en gewrichtspijnen. Als oorzaak van deze klachten komt uit literatuur de blootstelling aan endotoxinen (bestanddelen van bacteriën) naar voren. Deze kunnen met fijnstof via de lucht worden verspreid en ook buiten de stalomgeving terecht komen (bijvoorbeeld via het uitrijden van de mest).

Met betrekking tot de effecten op de gezondheid van omwonenden van intensieve veehouderijen is nog weinig onderzoek gedaan. Wel blijkt uit beschikbaar onderzoek dat omwonenden vaak meer gezondheidsproblemen rapporteren dan vergelijkingsgroepen.

Luchtwegen
Het gaat vooral om klachten van de luchtwegen en verminderde kwaliteit van leven. Ook weet men dat lichamelijke klachten en verstoring van activiteiten kunnen samenhangen met geurhinder. Duitse onderzoekers constateerden dat onder omwonenden de longfunctie was verlaagd.

Ook weten we dat het in ziekenhuizen steeds moeilijker en duurder wordt om wat betreft de MRSA-bacterie het ‘search en destroy’ beleid te handhaven. De haard van de besmetting (het bedrijf waar de besmette persoon woont of werkt) blijft immers gewoon bestaan. Bovendien weten we dat de maatschappelijke kosten die zoönosen met zich meebrengen steeds groter worden.

Denk niet alleen aan het ziekteverzuim, maar ook aan de behandelkosten in het algemeen en die van mensen in quarantaine in het bijzonder; aan het extra personeel (analisten) dat moet worden ingezet; aan de extra laboratoriumonderzoeksmaterialen die moeten worden gemaakt, etc.

Blootstelling
Inzicht in de verspreiding van stoffen vanuit de intensieve veehouderijen is volgens het RIVM nog niet voorhanden. Er zijn geen verspreidingsberekeningen en/of blootstellingsmetingen gedaan. De GGD’en van Brabant en Zeeland dringen daarom in een recent schrijven aan op het zo snel mogelijk starten met het verzamelen van dit soort gegevens.

Ook wordt er de laatste maanden op provinciaal niveau aandacht gevraagd voor de gezondheidsrisico’s. Verschillende moties zagen het licht. De Partij voor de Dieren vroeg in november 2008 in twee moties om een gezondheidsonderzoek en om het handhaven van een veilige afstand van 1 à 2 kilometer tussen bedrijven. De SP vroeg in diezelfde vergadering om een moratorium op de bouw van megastallen. CDA, VVD en PvdA volgden in december 2008 met de vraag om een gezondheidsonderzoek en ook de SP drong hierop aan.

De vraag om verder onderzoek in te stellen naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden wordt politiek dus breed gedragen. De vertragingstactiek die op dit moment plaatsvindt door eerst het RIVM en de GGD’en bestaand onderzoek te laten verzamelen en beoordelen, is struisvogelpolitiek.

Fijnstof
Het RIVM en de GGD’en hebben immers vorig jaar al een literatuurstudie uitgevoerd en geadviseerd dat er een groter onderzoek moet komen naar fijnstofconcentraties bij bestaande en nieuwe veehouderijen.

Wij wijzen u tenslotte op het rapport dat in april 2008 werd uitgebracht door de prestigieuze PEW-Commission aan het Amerikaanse Congres. Op grond van decennia-lange ervaringen met de concentratie van intensieve bio-industrieën, concludeerde de PEW-commission dat zowel de megaschaal waarop deze industrieën opereren als de concentratie in één gebied een rechtstreekse bedreiging vormen voor mens, dier en natuur.

Zij trekken dezelfde conclusies als RIVM en genoemde GGD’en en gaan zelfs een stap verder door dergelijke concentratiegebieden wegens hun grote risico’s af te wijzen.
Gegeven het feit dat er binnen de medische wetenschap zoveel aanwijzingen zijn dat de bio-industrie schadelijke gevolgen heeft voor de volksgezondheid, achten wij het onverantwoord dat het provinciebestuur het huidige beleid voortzet. Indien het hierin volhardt zullen gedupeerde burgers het provinciebestuur rechtens voor de gevolgen aansprakelijk stellen.

\\"piggie_200\\"

6 Verzoek

Op grond van bovenstaande bezwaren tegen de schaalvergroting in de bio-industrie verzoeken wij u – mede met het oog op herstel van het vertrouwen van de Brabantse burgers in hun bestuurders - het volgende:

1. Een einde te maken aan de eenzijdige economische ontwikkeling van het Brabantse platteland en de milieu- en natuurdoelen van de Reconstructie te realiseren.

2. Zelf bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen en deze niet af te schuiven naar de landelijke overheid, en zonder uitstel gehoor te geven aan het advies uit 2008 van het RIVM en de GGD’en Noord-Brabant en Zeeland om onderzoek in te stellen naar fijnstofconcentraties bij veehouderijen.

3. Zolang er geen wetenschappelijk onderzoek is gedaan dat uitsluitsel geeft over de effecten op de gezondheid van omwonenden van intensieve veehouderijen, het voorzorgbeginsel te hanteren. Dit beginsel, dat op grond van het Europese Verdrag het milieurecht van de lidstaten domineert, houdt in dat overheid en bedrijven geen onomkeerbare beslissingen mogen nemen zolang er wetenschappelijke onzekerheid bestaat omtrent de risico’s voor de volksgezondheid.

In concreto betekent dit dat vooralsnog geen vergunningen meer worden verleend voor het vestigen van nieuwe, noch voor het uitbreiden van bestaande intensieve veehouderijen.

4. Het advies van het RIVM en de GGD’en Noord-Brabant en Zeeland op te volgen en bij provinciale verordening op grond van de Wro te bepalen dat er minimaal een afstand van 1,5 km wordt aangehouden tussen intensieve veehouderijen en dat gemengde intensieve veehouderijen niet worden toegestaan. Ook hier dient de overheid het voorzorgbeginsel te hanteren.

5. Vanwege de waarschijnlijkheid van schadelijke gezondheidseffecten bij schaalvergroting en hoge veedichtheid, bij provinciale verordening op grond van de Wro de maximale omvang van bouwblokken in landbouwontwikkelingsgebieden en verwevingsgebieden vast te stellen op 1,5 ha. Dit bouwoppervlak (3 voetbalvelden) past in het Brabantse landschap en biedt voldoende ruimte voor gezinsbedrijven.

6. Bij provinciale verordening te bepalen dat intensieve veehouderij-bedrijven op nieuwe locaties alleen zijn toegestaan indien deze afkomstig zijn uit extensiveringsgebieden en hier scherp op toe te zien. Met andere woorden: handhaving van de regel “geen inplaatsing zonder uitplaatsing”.

7. Aan te dringen bij de wetgever op het terugdringen van het antibioticagebruik in de intensieve veehouderij. Het preventief toedienen van antibiotica dient te worden verboden, gelet op de gevaren die daaraan kleven voor de volksgezondheid en voedselveiligheid.

8. De wetgever te vragen zodanige eisen te stellen aan de huisvesting van dieren in de intensieve veehouderij dat hun bewegingsruimte wordt vergroot en natuurlijk gedrag mogelijk wordt. Hierdoor verbetert hun conditie en wordt preventief antibioticagebruik overbodig.

9.Uw rol als bevoegd gezag op grond van de Natuurbeschermingswet serieus te nemen en verleende milieuvergunningen (zowel nieuwe als revisievergunningen) standaard te toetsen aan de gevolgen voor het nabijgelegen habitat- of natuurbeschermingswetgebied, en bij normoverschrijdende depositie de vergunning niet te verlenen.

10.Te voorkomen dat in de al zwaar met ammoniak belaste regio's het aantal dieren verder toeneemt. Emissie-arme stalsystemen dienen voor reductie van uitstoot te worden aangewend en niet om meer dieren te gaan houden.

11.Een duurzame, grondgebonden en diervriendelijke landbouw na te streven die past in het Brabantse landschap.

null Beeld
Meer over