ColumnSheila Sitalsing

Mark Rutte was ineens weer de leider van een partij die het Torentje wil blijven bemensen

De campagne voor de parlementsverkiezingen van maart komend jaar, een campagne die intens en enerverend belooft te worden, begon midden in de hittegolf op woensdag 12 augustus met de uitroep ‘Hugo is bruiner dan ooit!’

De premier begon. Uiteraard, want er zijn maar weinigen op het Binnenhof die zo goed over grote afstand hun nietsvermoedende prooi kunnen ruiken als Mark Rutte, die zo precies en dodelijk kunnen toeslaan, en die daar zo blijmoedig onder kunnen blijven. Als een gezellig, kwiek, onschuldig ogend roofdiertje waarvan je niet vermoedt dat het een cobra aan kan. Als een stokstaartje.

Het was in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer. De premier en de minister van Volksgezondheid moesten zich tegenover het parlement verantwoorden voor het ­coronabeleid, of het niet-beleid, Rutte had het woord, en toen gebeurde het. Daar stond niet langer de premier die een poging tot staatsmannelijkheid in crisistijd deed, maar de leider van een partij die het Torentje wil blijven bemensen, en die naast zich de gloednieuwe aanvoerder van het CDA weet, de partij die al tien jaar hartstochtelijk droomt van datzelfde Torentje, de partij die ooit de grootste van het land was en nog altijd terugverlangt naar die tijd. Rutte deed wat je in zo’n geval doet: de concurrentie terugbrengen tot een verschroeid hoopje verdriet.

Dus viel alles plots ‘natuurlijk onder de verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid’, onder artikel zus en artikel zo uit de Wet op de publieke gezondheid – altijd dubbel oppassen wanneer de premier formeel-ambtelijk gaat formuleren. Een kreupel plan voor verplicht huisarrest, gedoe rond app en noodwet, GGD’s in personeelsnood, contactonderzoeken die verzanden in ‘belt u ze anders zelf even?’: het was toch echt het beste als Hugo dat zelf allemaal even toelichtte, kwetterde het stokstaartje.

‘Hij ziet er lijkwit en slecht uit’, zei Geert Wilders, maar Rutte deelde de bezorgdheid over de gezondheidstoestand van de net van een korte vakantie teruggekeerde Hugo de Jonge geenszins. ‘Hij is bruiner dan ooit!’

Je zag Hugo ‘om de week naar de zonnebank’ de Jonge van mild verwonderd naar verbluft gaan, je zag heel langzaam het besef langzaam indalen: verrek, dus zo zal het zijn tot de verkiezingen.

De Telegraaf, de krant die ook gezegend is met een uitstekend ontwikkeld vermogen om slachtoffers te ruiken nog voordat de getroffene zelf door heeft wat hem is over­komen, legde afgelopen vrijdag de vraag aan de premier voor of hij ‘iets van een verandering heeft gemerkt in Hugo de Jonge sinds hij leider van het CDA is?’ Fanatiek schudde Rutte van neen. Hij is juist ‘heel blij’ dat De Jonge naast hem staat in de coronacrisis. En hij begon hem te prijzen, zoals een uitbater van een garage dat doet met een stagiair die heel ijverig is bij het aanreiken van het ­gereedschap: Hugo ‘moet zo verschrikkelijk veel organiseren, zo veel bij elkaar brengen, het ministerie runnen. Ik vind dat hij dat vréselijk knap doet’. De laatste keer dat een minister het volgens Rutte vreselijk knap deed, moest die daags daarna aftreden.

En vooruitlopend op een parlementaire enquête over alle fouten die zijn gemaakt en nog gemaakt zullen worden in de bestrijding van de coronacrisis: ‘Hij is dé coronaminister!’

Het wordt een lang halfjaar tot aan de verkiezingen voor het CDA.

Het stokstaartje is ondertussen de tanden aan het slijpen voor het volgende doelwit. 

Meer over