ColumnPeter Buwalda

Marcellus Emants heeft me gered

Peter buwalda artikel

Peter Buwalda doet een bekentenis

Jet hier heeft in een boekhandel gewerkt. Op een dag kreeg ze een collega, een student, die ze op zeker moment tegen een klant hoorde zeggen: ‘Couperus… Couperus… hmmmmm… dat klinkt níét als literatuur… loopt u maar even mee.’ Waarna hij zich op zijn hakken omdraaide en de verbijsterde meneer minzaam glimlachend voorging naar de kookboeken.

Ziehier de toekomst, nu de studie Nederlands opdroogt. Moeten we haar vrezen? Dit onderdeeltje ervan niet per se, de onnozele boekhandelaar van de toekomst is een koddige aanwinst – je kunt er een column mee beginnen. De vraag is eerder wat het voor de toekomst van de boeken in zijn winkel betekent, wanneer er niemand meer zal zijn die weet hoe je ze moet lezen, laat staan schrijven.

Nederlands is een onderschatte studie, in mijn tijd was dat al zo. Ook onder neerlandici zelf. Ik heb het in de jaren negentig gestudeerd in Utrecht, en als je grappig uit de hoek wilde komen gaf je te kennen dat je voor Nederlands gekozen had omdat je het al sprak, zodat je je handen vrijhield om er glazen bier mee vast te pakken. Dat was niet alleen flauw, maar bovendien oneerlijk, want het tegenovergestelde was waar. Het aantrekkelijke van Nederlands boven bijvoorbeeld Frans of Duits was dat je niet eerst als een aangeklede primaat Frans of Duits moest leren praten voor je eens kon beginnen met waarom het natuurlijk allemaal draaide: het bestuderen van literatuur.

Bij Nederlands begonnen we meteen, al tijdens het eerste college, met Louis Couperus. Althans, tijdens mijn eerste college, want ik was begonnen met natuurkunde, waarmee ik na zes weken, nog voor ik ook maar één tentamen had gemaakt, kapte. De reden ervoor klinkt inmiddels bijzonder romantisch: terwijl ik op mijn kamertje in Overvecht boven mijn syllabus relativiteitstheorie zat, kreeg ik serieuze heimwee naar Marcellus Emants, of beter gezegd: naar de wereld die hij opriep in Een nagelaten bekentenis, zijn ooit beroemde roman uit 1894, tegenwoordig te vinden op het plankje ‘oude meuk’. Ik wilde er per se naar terug.

We hadden Een nagelaten bekentenis in het eindexamenjaar klassikaal gelezen, in een Bulkboek, een soort tijdschrift met plaatjes en kolommen, en ondanks die travestie greep het nogal treurige leven van Willem Termeer, de landerige hoofdpersoon die meteen al in de eerste alinea opbiecht dat hij zijn vrouw heeft vermoord, me naar de strot. Erna volgen een paar honderd pagina’s waarin naturalistisch wordt uiteengezet hoe Termeer tot zijn moord kwam.

Spannend, vond ik – maar vooral moody. Zeer sterk spul. Emants’ boek was een van de eerste romans die ik zonder tegenzin las, en maakte zo’n diepe indruk op me dat ik me nog altijd namen en situaties exact kan herinneren. Ik weet zeker dat Termeer staande achter een balkondeur boven de tuin van zijn ouders een gesprek afluistert tussen zijn jonge vrouw en een dominee die De Kantere heet.

Ik gebruik expres geen Google.

Een gesprek, nota bene, dat gaat over hemzelf, over zijn onbeschrijfelijke sloomheid en karakterzwakte. Ik zie die tuin scherp voor me, het gras is hoog, het terras ervoor van hout – net zoals ik tuin en gesprek voor me zag op die eerstejaars avond in Overvecht, toen ik besloot Nederlands te gaan studeren.

Meer over