ColumnSylvia Witteman

‘Man, ik droom ’s nachts dat de scholen weer open zijn’, zei de bakfietsvader

null Beeld

Ik stond mijn fiets op slot te zetten voor zo’n grootsteedse koffietent, die behalve koffie ook ‘ginger shots’ verkoopt, ‘vegan chicken sandwiches’, ‘handgefrituurde (auw!) jalapeño-dillechips’ en, als kinderlokkertje, een etalage vol gigantische meringues, krakende wolken van suiker in zoete droomkleuren.

Naast mij probeerde een bakfietsvader vergeefs zijn dochtertjes, zowat 6 en 8, die meringues uit het hoofd te praten. Hij groef in een boodschappentas die naast de meisjes in de bakfiets stond en diepte twee mueslibollen op, waar ze niet intrapten. Hij was 35, kalend, en zag er afgepeigerd uit.

Uit de koffietent kwam een man van dezelfde leeftijd. Hij had een duistere testosteronkop, als op het omslag van een kasteelroman, compleet met hinderlijk golvend kapsel, en droeg een dure jas in grove, wollen visgraat. Hij wilde wegbenen, beker koffie in de hand, toen de bakfietsvader hem in het oog kreeg.

‘Hee Dennis!’, zei de bakfietsvader. ‘Bart!’, antwoordde de visgraatjas. Daar was de obligate ellebooggroet al, vergezeld van de al even obligate teksten (‘haha’, ‘nou zo dan maar, hè’, ‘ja, het ís even niet anders’).

‘Zijn dat jouw kinderen?’, vroeg de visgraatjas met een haaiengrijns. Ze hadden elkaar blijkbaar lang niet gezien. De bakfietsvader knikte trots. ‘En jij?’, vroeg hij, maar nee, de visgraatjas ‘was nog niet zo ver’, hij ‘had het erg druk’ en wilde van de bakfietsvader weten of die ‘nog steeds bij Snibbe & Paff zat’, waarop de bakfietsvader ontkende: hij was ‘voor zichzelf begonnen’.

De visgraatjas loerde op zijn horloge. ‘Leuk?’, vroeg hij mat. De bakfietsvader keek moeilijk. ‘Simone werkt 60 uur per week, dus de zorg voor de meisjes komt vooral op mij neer’, sprak hij. ‘En ze kunnen dus niet naar school. Het is een ramp...nee, Bella, die chips zijn voor vanavond. Néé, zeg ik... een complete ramp, man. Ik ben kapot. Dat thuisonderwijs... ik zit om half 9 ’s ochtends al vlindertjes te tellen en kringetjes te zetten om een oneven aantal dinosaurusjes, en aan te wijzen welke boer de grootste tractor heeft... moet je plassen, Suus? Echt niet? We gaan zó...’

‘Ja’, zei de visgraatjas. Hij maakte ongeduldige, roterende bewegingen met zijn koffiebeker. De bakfietsvader vervolgde: ‘Man, ik droom ’s nachts dat de scholen weer open zijn. Weet je hoe vaak ik het ‘maan, roos, vis’-woordjeskwartet inmiddels gespeeld heb? En het ‘doos, poes, koek, ijs’-rijmdomino?’ Zijn stem trilde.

‘Ja...’, zei de visgraatjas. Hij keek nogmaals op zijn horloge. Het werd hoog tijd voor de aftocht; nog even iets aardigs tegen die kinderen zeggen. Hij liep naar de bakfiets, boog voorover, trok weer die haaiengrijns en kraaide:

‘Zo, meiden! Moeten jullie niet naar school?’