Column

Maar dan zegt meneer ­Besselink (72): ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet’

Thomas van der Meer Beeld x
Thomas van der MeerBeeld x
Thomas Van Der Meer

‘Zeg maar gewoon Harry’, zegt meneer Besselink (72). Ik val een paar weken in bij de thuiszorg en ga meneer Besselink helpen onder de douche. Hij heeft een verkeersongeluk gehad en is herstellende van een reeks gecompliceerde operaties aan zijn rug, heup en been. Zijn been zit bijna helemaal in het gips. Met een looprek krukt hij door het huis.

De afgelopen weken heeft hij zich in de keuken moeten wassen, maar nu mag hij van de fysiotherapeut eindelijk de trap weer op. Trede voor trede hijst hij zich omhoog. Boven verpak ik zijn gips in plastic.

‘O, heerlijk’, zegt hij, als hij onder de douche staat. ‘Ik heb zó lang niet gedoucht.’ Hij kan zijn evenwicht moeilijk bewaren. Terwijl ik hem inzeep, houdt hij zich met beide handen vast aan een beugel aan de wand.

Dan krijgt meneer Besselink een erectie. ‘God, wat erg’, zegt hij.

‘Geeft niets, hoor.’

Een paar dagen later staat meneer Besselink opnieuw op mijn thuiszorgroute.

‘Ik vind het zo erg dat ik een erectie kreeg’, zegt hij. ‘Jij zal wel denken: wat een oude viezerik. Ik moet er telkens aan denken en dan schaam ik me dood.’

‘Dat is nergens voor nodig. Het overkomt iedereen weleens.’

‘Echt? Iedereen?’

‘Wanneer je geen erectie wilt, krijg je er juist een. Ach, wees blij dat-ie het nog doet.’

Hij schiet in de lach en daarna hebben we het er niet meer over.

Meneer Besselink is vriendelijk. Hij klaagt nooit dat ik te vroeg of te laat ben en bedankt me elke keer uitvoerig voor de hulp. Ik denk dat hij eenzaam is. Hij doet wat veel eenzame mensen doen als ze eindelijk eens gezelschap hebben: hij praat aan één stuk door.

Hij vertelt dat hij twee zonen heeft verloren, de een aan een hartafwijking en de ander aan kanker. Zijn vrouw raakte aan de drank. Gescheiden. Maar dan op een dag, als ik zijn penis sta te wassen, zegt hij: ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet.’

Ik ben geschrokken, maar zeg er niets van. Als ik even later op mijn brommer naar het volgende adres rijd, vraag ik me verbijsterd af waarom ik dit niet zag aankomen. Ik moet denken aan iets wat meneer Besselink een paar dagen eerder onder de douche zei: ‘Ik zou het niet erg vinden als iemand iets bij mij zou doen wat niet mag.’

‘Wat bedoelt u?’, vroeg ik.

‘Ik bedoel dat ik daar niets van zou zeggen. Echt niet. Ik kan best een geheimpje bewaren.’

‘Wat bedoelt u met: iets wat niet mag?’

‘Nou, gewoon’, zei hij, en hij keek me schaapachtig aan.

Ik begreep er niets van. Ik dacht dat hij bedoelde dat ik iets verkeerd deed en dat hij probeerde duidelijk te maken dat hij dat niet zou doorvertellen. Maar wát deed ik dan verkeerd?

Nu kan ik me wel voor mijn kop slaan voor zo veel onnozelheid. Seksuele toespelingen zijn vaak dubbelzinnig en onbewust kies ik altijd eerst voor de niet-seksuele interpretatie, ook als die veel minder voor de hand ligt. Ik weet niet hoe dat komt. Zelfs op Grindr ben ik traag: iemand stuurde me een donker filmpje waarop hij zich aan het aftrekken was – alleen zijn penis met zijn hand eromheen waren in beeld – en ik dacht heel even dat ik keek naar een kale man die een fitnessoefening deed.

Ik begin te twijfelen aan mijn eigen aandeel in de situatie. Misschien ben ik te ver gegaan toen ik meneer Besselink na die erectie probeerde gerust te stellen. Die ‘wees blij dat-ie het nog doet’-grap was onprofessioneel van mij. Misschien heb ik daarmee een sfeer gecreëerd die zó vertrouwd voelt, dat hij de indruk heeft dat hij alles tegen mij mag zeggen.

De volgende dag moet ik meneer Besselink weer helpen onder de douche. Ik pak een plastic stoel uit de tuin, sjouw hem de trap op en zet hem in de douchecabine.

‘Wat is dit?’, vraagt hij.

‘U gaat zittend douchen, dan kunt u zichzelf wassen. Dat is goed voor de bevordering van uw zelfredzaamheid.’

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft elke week een wisselcolumn met Arie Elshout. De naam in deze column is gefingeerd.

Meer over