EssayLiteratuuronderwijs

Maak van literatuur een apart schoolvak

null Beeld Zeloot
Beeld Zeloot

Het ware strijdtoneel tegen de ontlezing zijn de middelbare scholen, stelt schrijver Daan Heerma van Voss. Bij aanvang van de Boekenweek van Jongeren (17-26 september) bepleit hij om literatuur te verlossen van het vak Nederlands, en het vak Nederlands van literatuur.

Het begon in 2014, met een terminaal Mercedes-barrel dat het CPNB speciaal voor de missie voor 900 euro op Marktplaats had gekocht. Daarmee zou ik in twee weken tijd zo’n veertig middelbare scholen moeten bereiken, om te vertellen over literatuur, al meed ik dat woord liever. Het ging me om lezen en schrijven. Ik zou uit het hart spreken, niet uit het hoofd.

Mijn plan kenmerkte zich (zoals al mijn plannen indertijd) door idealisme, naïviteit en haast. Drie weken voor de aanschaf van de abominabele auto zat ik op eigen initiatief tegenover Eppo van Nispen tot Sevenaer, destijds directeur van het CPNB. Ik vertelde hem dat ik vond dat er te weinig werd gedaan voor het boek, en dan in het bijzonder op de middelbare school. Mijn medeschrijvers en ik werden vooral uitgenodigd in bibliotheken, door clubjes vol geïnteresseerde oudere lezers, vertegenwoordigers van de zogeheten silver economy. Leuk en aardig, zonder hen zou de boekenmarkt volledig instorten, maar moest onze aandacht niet óók uitgaan naar de scholen? Was dat niet het ware strijdtoneel, daar waar potentiële lezers ontstonden, en waar ze prematuur werden gekaapt door smartphones, playstations en Netflix?

Ik trof het: Van Nispen tot Sevenaer was een uitgesproken voorstander van wilde, Don Quichot-achtige plannen. Hoe kanslozer hoe beter, leek het. Er was natuurlijk geen enkel budget voor zoiets raars, waarschuwde hij, en hij zou ook geen Rocinante kunnen regelen. Maar een goedkope auto kon wel, en zijn medewerkers zouden scholen ronselen. Hoeveel scholen zou ik aankunnen? Hoe meer hoe beter, zei ik, want daar was de stemming naar. De CPNB-baas herhaalde voor de goede orde dat ik hier dus niks mee zou verdienen. Dat was jammer, maar goed, als je alleen idealistisch bent als je daarvoor betaald wordt, dan ben je dus niet idealistisch.

Dus daar gingen we, een CPNB’er achter het stuur, ik op de bijrijdersstoel, enigszins nerveus over wat ik zou aantreffen. Al voor ons eerste bezoekje begon de motor te walmen; sputterend sleepte de auto zich naar de vluchtstrook. Morsdood, aldus de ANWB. De desbetreffende beambte keek naar de Mercedes, schudde het hoofd en vroeg wat ik dan had verwacht.

Wat nu? De bezoekjes moesten hoe dan ook doorgaan, vond ik, van windmolens trokken we ons niks aan. Zo werd de ‘tour’, de eerste Literatour, een lappendeken van carpoolafspraken, ik denk dat zo ongeveer iedereen van het CPNB me wel een lift heeft gegeven.

Geen moment belerend

Tijdens die veertig ‘lezingen’ stond ik in klaslokalen, in gymzalen, in aula’s. Lazen ze nog, zo ja wat dan, zo nee waarom niet? Ik bood de leerlingen een dialoog aan, en in ruil daarvoor zou ik geen moment belerend zijn. Het was hun leven, het waren hun keuzes, en uiteindelijk moesten ze het lekker zelf weten. Die houding kon ik me permitteren; ik was geen leraar, ik was een passant, een buitenstaander. Maar waar ik ook stond, op wat voor school ook, uiteindelijk ontspon zich altijd een boeiend gesprek over waarom we verhalen nodig hebben.

Peilingen die Stichting Lezen deed bij de scholen die aan de tour meededen, lieten een positief beeld zien: het overgrote deel van de leerlingen was door het bezoek aanzienlijk enthousiaster geraakt over lezen en literatuur. Dit is van belang omdat weinig zo leesbevorderend werkt als het lezen van literatuur (in vergelijking met taalboekjes of lectuur, bijvoorbeeld). Niet alleen omdat literatuur de lezer erg bewust maakt van taal, maar ook omdat plezier (‘leesmotivatie’) erg belangrijk is in het duurzaam opbouwen van taalvaardigheid, zo stelt ook Stichting Lezen.

Het jaar erop, in 2015, werd de Literatour een officieel onderdeel van de CPNB-agenda. Vanaf 2015 deden ook andere schrijvers mee, betaald en wel. Sindsdien ben ik tot op heden elk jaar van de partij geweest – ik zal zo’n honderd scholen bezocht hebben, in de stad, in de provincie, in het dorp, van gymnasia tot dovenscholen.

Wat ik vrijwel altijd (op welk schooltype ook) aantrof, was een klas die nog nooit echt over lezen had nagedacht. De meeste leerlingen hadden met plezier gelezen op de basisschool, maar waren afgehaakt op de middelbare school. Huiswerk, veel afleiding, hobby’s, schermen, de bekende redenen. Tijdens mijn praatjes zei ik nooit dat ze iets moesten, ik wees hen er alleen op dat ze iets misten. Iets waarvan ze zich nooit een voorstelling konden maken, als ze het niet probeerden. Ik nodigde hen uit. En in elke klas zaten wel een paar leerlingen die de uitnodiging, eenmaal thuis, weg uit de verstikkende hiërarchie van het klaslokaal waar lezen verdacht was, op z’n minst zouden inkijken.

Ontlezing

Helaas heb ik de indruk dat de ontlezing gestaag is toegenomen. De eerste jaren dat ik op pad was, zeiden leraren nog vol goede moed dat leerlingen vooral anders lazen. Dat wil zeggen: ze lazen echt nog wel Facebookposts en Whatsappgesprekjes. Naarmate Facebook het verloor van Instagram en het beeld het woord steeds meer verdrukte, verdween dit non-argument, dat eigenlijk neerkwam op een staaltje verdringing. De afgelopen jaren is bijna elke leraar Nederlands die ik spreek somber gestemd over de leesvaardigheid van de leerlingen.

Internationaal onderzoek ondersteunt deze stemming met feiten: het vierjaarlijkse Pisa-onderzoek stelde in 2018 dat Nederlandse jongeren van 15 jaar slechter scoren op leesvaardigheid dan leeftijdgenoten uit veel andere EU-landen. De Nederlandse leesmotivatie was zelfs lager dan in alle andere landen. (En een op de vier Nederlandse leerlingen liep het risico op laaggeletterdheid, wat wil zeggen dat ze niet goed kunnen functioneren op school of in de maatschappij.) Van verbetering lijkt vooralsnog weinig sprake. Gemiddeld lezen jongeren nog geen 14 minuten per dag, bijna 40 procent minder dan vijf jaar geleden.

Er zijn allerlei argumenten tegen de ontlezing op te noemen, en vele heb ik de laatste jaren voorbij zien komen. Je hebt het maatschappelijke argument, vertolkt door onder meer Maarten Asscher, schrijver, voormalig uitgever en boekverkoper: lezen voorkomt analfabetisme, en analfabetisme is een grote sta-in-de-weg voor een succesvolle participatie in de samenleving. Er is de economische aanvulling op dat argument, dit jaar gebezigd door Adriaan van Dis (‘want zodra het over geld gaat, zitten onze politieke besluitnemers rechtop’): door het oprukkende analfabetisme loopt Nederland miljoenen arbeidsuren en daarmee naar schatting 1 miljard euro mis.

Je hebt het cognitieve argument, dat je van lezen empathischer wordt, vaak genoemd door schrijver Philip Huff. Een ander argument, dat ik vaak van leraren heb gehoord, is historisch van aard: literatuur is cultureel erfgoed, het hoort min of meer bij Nederlanderschap. En het roepende-in-de-woestijn-argument: lezen is toch ook gewoon… leuk?

Het leven onderzoeken

Voor mij is literatuur (schrijven en lezen) simpelweg de beste manier om het leven te onderzoeken, en ik ben van mening dat vooral het onderzochte leven het leven waard is. (Vrij naar Socrates. Of eigenlijk vrij naar Woody Allen vrij naar Socrates.) Dat onderzoeken verloopt grotendeels via taal. We zijn talige wezens. We vatten levens in verhalen, dat van anderen en dat van onszelf. Het is dankzij taal dat we zijn wie we zijn. En aangezien onderwijs voor mij neerkomt op het leren onderzoeken van het leven, het leren cultiveren van motivatie voor de zaken die je interessant begint te vinden, vind ik dat literatuur daar absoluut een plaats in moet hebben. Voor het te laat is en de literatuur zozeer is afgedreven van scholieren dat het nauwelijks nog in hen opkomt een boek te pakken. Voor we überhaupt niet eens meer kúnnen lezen.

Maar wacht, die plaats in het onderwijs heeft literatuur nu toch ook?

Op papier wel. Literatuur maakt deel uit van het vak Nederlands.

Maar in de praktijk kampt de grote meerderheid van de leraren Nederlands die ik heb gesproken met een groot tijdgebrek. Te veel lesstof, te veel leerlingen, te weinig tijd. En dan is literatuur vaak het kind van de rekening – tekstverklaring heeft begrijpelijkerwijs meer prioriteit dan het lezen van de verzinsels van schrijvers.

Zodoende is het literatuuronderwijs vernauwd geraakt, en op veel scholen feitelijk veranderd in een aantal begeleidende colleges bij de literatuurlijst, waarover altijd veel te doen is. (De literatuurlijst, die vanaf de invoering van de tweede fase in 1999 voor vwo-leerlingen werd teruggebracht van 30 naar 12 boeken, en voor havisten van 25 naar 8.) Mag Kluun op de lijst, en Saskia Noort, en Herman Koch, en Tim Krabbé, en Thomas Olde Heuvelt? Laat ik onze tijd niet verspillen met gekibbel over namen. Het probleem is niet wat er op het menu staat, het probleem is dat onze kinderen niet meer willen eten.

En dat is niet eenvoudig te verhelpen: onze aandachtsspanne wordt gemiddeld steeds korter en we verlaten ons in toenemende mate op beelden om ons te verklaren, gifjes en memes zijn onze moedertaal aan het worden. Zulke grote ontwikkelingen vallen niet te keren. We zullen ons moeten aanpassen. Zelfs al is het vechten tegen de bierkaai, dan moeten we zo goed mogelijk vechten, zo efficiënt mogelijk, zo slim mogelijk.

Een keuzevak

Mijn voorstel is simpel: verlos literatuur van het vak Nederlands, en het vak Nederlands van literatuur. Maak van Literatuur een apart keuzevak. Een apart vaak waar leerlingen zelf kiezen wat ze lezen, op voorwaarde dat ze goed kunnen uitleggen waarom ze dat willen. In de eerste twee klassen blijft het een onderdeel van Nederlands en laten docenten hun leerlingen kennismaken met schrijvers en literatuur; lezen en erover praten, geen tekstverklaringsvragen meer over wat de betekenis is van het thema ‘as’ in het werk van Harry Mulisch.

Vlak voor de overgang naar de bovenbouw, wanneer de leerlingen keuzevakken mogen kiezen, krijgen ze de mogelijkheid te opteren voor het vak ‘Nederlandstalige Literatuur’. Dat vak bestaat allereerst uit klassikale lessen in Nederlandse literatuurgeschiedenis, waarbij de canon centraal staat maar niet heilig is, en waarbij regelmatig een internationaal perspectief geschetst wordt. Denk aan vragen als: was Reve typisch Nederlands? (Dit is het taaiste deel van het vak.) Vervolgens mogen leerlingen betogen voorbereiden: ze lezen zich een slag in de rondte en kiezen minstens drie boeken die óók in de Nederlandse canon opgenomen zouden moeten worden, wegens maatschappelijke of literaire relevantie. Ze mogen parallellen trekken met het buitenland, met internationale literatuur, maar dat hoeft niet.

Er worden ook leesclubs georganiseerd: de hele klas leest democratisch gekozen Nederlandse literaire romans, waarna een gesprek op gang komt over de vraag wat we in vredesnaam hebben gelezen. In het vak is ook genoeg ruimte voor individualiteit: de leerlingen werken toe naar een eindwerkstuk met als thema: als ik een boek zou schrijven. Ze maken een opzet, schrijven eerste hoofdstukken, ze proberen de literatuur uit, poëzie, fictie, dat maakt niet uit. Ze lezen, ze schrijven, ze zetten onze taal naar hun hand.

Hoeveel leerlingen het vak zullen kiezen, weet ik niet. Maar zelfs als het een kleine minderheid is, zal deze minderheid meer leren dan de meerderheid van ervoor. We zijn het verplicht aan al die docenten die manmoedig standhouden in dit vijandige schoolsysteem, de laatste Mohikanen die hun vrije uren besteden aan literatuur, hun lievelingsvak van weleer. Als we doorgaan op de ingeslagen weg, zullen we in elk geval liefdeloosheid blijven kweken, en zal de ontlezing de literatuur definitief in de culturele marge doen terechtkomen.

Overigens is mijn pleidooi niet nieuw. In 1996 waarschuwde staatssecretaris Tineke Netelenbos van Onderwijs (PvdA) al dat er ‘eigenlijk geen literatuuronderwijs’ was. ‘De meeste leerlingen beperken zich tot uittreksels.’ Haar pleidooi om van literatuur een apart vak te maken was tegen dovemansoren gericht. Het toenmalige kabinet was bang dat ‘de samenhang van het onderwijs verloren zou gaan’.

Over die vermeende samenhang zou Willem Elsschot erg grappige dingen kunnen zeggen. Schrijf je in voor mijn toekomstige vak Literatuur en ik zal je vertellen waarom.

Meer over