ColumnPeter Middendorp

Links lopen is veiliger dan rechts, het probleem is alleen dat de helft dat niet weet

null Beeld

Ik liep links, tegen het gemotoriseerde verkeer in, op hardloopschoenen en in een korte broek. Links lopen is veiliger dan rechts, het probleem is alleen dat de helft dat niet weet, er anders over denkt, niet nadenkt of ziet: iedereen doet kennelijk maar wat dus ga ik ook maar gewoon wat doen, analoog aan het maatschappelijke verkeer.

Er was geen andere optie dan links lopen, op het asfalt, want de rijbaan rechts was vol auto’s en ik kon ook niet terecht op het voetpad links, omdat me daarop twee pratende wandelaars tegemoet kwamen, dicht naast elkaar, van wie de langste een beetje hoestte. De wandelaars waren met van alles bezig, behalve met het feit dat ze me de toegang tot het voetpad blokkeerden, wilde ik althans de afstandsregels in acht houden, terwijl er een jonge gast op een scooter de straat in kwam rijden, recht op me af.

Ik heb me vaker opgewonden over mensen die aanstaande verkeersproblemen niet zien aankomen – de punten in de zeer nabije toekomst, even verderop, waar de lijnen van de verkeersdeelnemers elkaar bij ongewijzigd rijdbeleid erbarmelijk zullen kruisen. Soms ben ik ook wel een klein beetje jaloers op hun zorgeloosheid, behalve als het hoogbejaarden op elektrische fietsen betreft, die met 25 kilometer per uur en ontspannen gezichten op gevaar afkoersen.

De jongen op de scooter remde niet af, wat ik zelf wel had gedaan in zijn geval, dus ik trok een afkeurend gezicht, schudde mijn hoofd en ging wat rechterop lopen, borst vooruit, manifest, midden op de baan, zodat duidelijk werd: ik loop hier al, deze baan is bezet. De rechtvaardiging hiervoor haalde ik uit de anderhalve meter-coronaregels, die soms moeten voorgaan op de gewone verkeersregels, als de belangen natuurlijk eerst zorgvuldig tegen elkaar zijn afgewogen.

Misschien dacht de jonge gast op de scooter dat ik iemand ben die zulke belangen helemaal niet zorgvuldig afweegt, alvorens tot verkeersgedrag over te gaan, maar die gewoon op de verkeerde baan gaat lopen als hem dat beter uitkomt, even argeloos als de wandelaars, want hij reed gewoon door, iets sneller zelfs, alsof hij wel zin had om mij van de weg te jagen. Wat nu? De hoogte in, de diepte, oplossen in het niets?

Op het laatste moment sprong ik toch maar opzij, het voetpad op, dwars tussen de wandelaars door – ik raakte ze ook met wat armen en schouders, we ademden elkaars aerosolen in – die nu ineens wel alert waren en helemaal bij de les, maar nu hadden ze er niets meer aan, terwijl de voorbijrazende jongen op de scooter een open hand naar me toestak, die zoiets moest beteken als: ‘Je bent zelf niet goed bezig, gast.’

Opgewekt ging ik verder. Geen middelvingers, geen onvertogen woord, twee wandelaars die weer even hadden gemerkt dat ze niet alleen op de wereld zijn – ik was mogelijk besmet, maar ik had nog nooit zo’n fijn verkeersconflict gehad.

Meer over