COLUMNPieter Waterdrinker

Lief Zandvoort, in een dictatuur had je zo veel mooier kunnen zijn

null Beeld de Volkskrant
Beeld de Volkskrant

Het leven en mijn zonden overdenkend, wandelde ik bij een straf windje over de Zandvoortse boulevard. Zand schuurde als vuile korrelsneeuw over de tegels. Mijn gemijmer bestond, ik geef het toe, uit weinig democratisch gedachtengoed.

Waarom, lief dorp, ging het door me heen, rondblikkend in de natte betonnen afschuwelijkheid om me heen, werd jou een lot als onder ­Stalin onthouden? Autocratieën leveren dikwijls architectonische weelde op. Het Sint-Petersburg onder de Romanovs. Het Hausmann-Parijs onder Napoleon III. Vaak ook megagedrochten. Het Boekarest onder Ceausescu. Van Stalin kan je veel zeggen, maar na de Duitse vernietigingsdrift liet hij een aantal steden glorieus uit hun as herrijzen. Sebastopol op de Krim lag volledig in puin. Nu, u moet er maar eens gaan kijken, zou je er als jong stel nog lang en gelukkig willen wonen.

Dat Zandvoort ooit een parel was van de belle époque, met smaakvolle kustvilla’s, grand hôtels en een Kurhaus, voordat de Duitsers de boel opbliezen voor de bouw van de Atlantikwall, weet zelfs het gros van mijn vrienden niet. De huidige gruwel kwam van de vaderlandse weder­opbouwarchitecten.

‘Zo, weer eens in het land?’ Door een bekende stem werd ik uit mijn overpeinzingen gewekt. ‘Onze badplaats blijft toch trekken, hè?’ Voor mij stond een late zestiger met een kaal couperosehoofd. Hij had een nog jongensachtige, vriendelijke blik. Teun. Begin jaren tachtig werkten we in Zandvoort samen als kok in de keuken van een oud-Hollands specialiteitenrestaurant. Hij was enigszins hardhorend. Plaatste de chef een bestelling, bijvoorbeeld twee ossenstaartsoep, dan reageerde Teun dikwijls niet. ‘TWEE OSSENSTAARTSOEP!’, herhaalde de chef dan brullend. Ossenstaartsoep – je hoort er niet zoveel meer van.

De laatste keer dat ik Teun in het dorp tegenkwam, wees hij op zijn lichaam. Het ging niet goed. ‘Maar na de chemo ben ik nu volledig schoon.’ Terwijl ik op mijn 26ste naar het buitenland vertrok en trouwde, bleef Teun kok en vrij­gezel. Na een gang langs vele restaurants werd hij kok in een tehuis. ‘Dat met die rotziekte was moeilijk hoor. Ze willen tegenwoordig dat je zo snel mogelijk weer aan de slag gaat, hè? Ik had bijna geen kracht, maar moest weer achter het fornuis.’

Toen Teun vorig jaar recht kreeg op zijn AOW, mocht hij van het tehuis nog een jaartje doorwerken. Dat liet hij zich niet afnemen. Elf maanden AOW kon hij daardoor opzijzetten. ‘Voor het eerst in mijn leven heb ik nu een kapitaaltje, acht mille.’ Teun straalde helemaal. ‘Zeg, je hebt het zeker wel gehoord? De formule 1 komt terug. Maar zal ik jou eens wat vertellen?’ En terwijl de wind klapperde om onze oren, vernam ik de laatste dorpsroddels over onze pandjesprins.

Meer over