ColumnArnon Grunberg

Lenigheid is alles: in februari wil ik een split kunnen laten zien

null Beeld
Arnon Grunberg

In de dansstudio in het centrum van Amsterdam stond een oude witte vleugel die voornamelijk werd gebruikt als tafel. Een stapeltje corona-zelftests lag erop, een broodje gezond, een chocoladecroissant, een paar sokken die eruitzagen alsof ze al maanden niet waren gewassen.

Online had ik een trainingspak aangeschaft. De broek zakte af, het jasje bleek dat van het Sloveense voetbalteam te zijn, maar als men iets daarover vroeg, kon ik altijd zeggen dat ik Slavoj Žižek wilde eren.

De komende weken zou ik in deze studio doorbrengen, ik was bezig aan een metamorfose tot danser. Tijdelijk natuurlijk, anders gezegd: ik was een verstekeling, een niet-danser. Een verrukkelijke identiteit; zeg wat je niet bent en klamp je daaraan vast. Het humanisme zou er ook beter aan toe zijn als mensenrechten de rechten van niet-zwijnen zouden heten.

De andere niet-danser was Charlotte, dichter.

De dansers: Rob, een lange Nederlander, Lia, een kleine Israëli, Dominique, een mysterieuze Duitser. De choreografe heette Nicole, een Duitse die me vaag deed denken aan een arts in Murnau die ik daar in 2007 had bezocht toen bij mijn toenmalige vriendin per ongeluk een gat in haar arm was geboord.

Na de warming-up nam het dansen een aanvang, wat wil zeggen dat ik een serieuze poging deed lichaam te worden. Of we en passant wilden opschrijven wat er zoal in ons omging.

Ik noteerde: ‘Als de armen slangen zijn, zijn de voeten zielige honden.’

De split van Rob deed me beseffen dat lenigheid alles is, mentaal en fysiek.

Rond de première, midden februari, wil ik een split kunnen laten zien. Assimilatie begint rondom het kruis en eindigt daar ook.

Als de split niet lukt, is er altijd de uitweg van de komedie, de fladderende mens.

Laten we het niet spectaculairder maken dan het is: schrijvers zijn mislukte dansers.

Meer over