ColumnAleid Truijens

Laten we eens afkijken bij de buren: waarom leren kinderen zo weinig?

null Beeld
Aleid Truijens

Het is om jaloers van te worden. In Vlaanderen heeft het ministerie van Onderwijs wel gedaan wat het onze pijnlijk heeft nagelaten: uitzoeken hoe het komt dat kinderen steeds minder leren. De prestaties van Vlaamse leerlingen zakken (net als de Nederlandse) al jaren in lezen, rekenen/wiskunde en natuurwetenschappen op internationale onderzoeken als Pisa en Pirls. Onze minister Arie Slob kijkt, net als zijn voorgangers, onverstoorbaar weg van deze ramp.

Je hoeft geen bewonderaar te zijn van minister Ben Weyts en zijn rechts-conservatieve Nieuw-Vlaamse Alliantie om te snappen dat dít is wat een onderwijsminister, van welke signatuur ook, moet doen om de kenniscrisis, die ook de economie schaadt, te keren. Weyts reageerde trouwens zuinig op het rapport. Er staan, zei hij in De Standaard, zaken in ‘die ik er zelf nooit zou hebben ingezet’, maar hij beloofde ermee aan het werk te gaan.

Het is een droomrapport, zoals je in onderwijsland zelden tegenkomt: bondig en leesbaar, vrij van jargon en wollig gewauwel. Het is het werk van vijftien mensen met verstand van zaken, die hebben bedacht waaraan het schort: zeven ervaren leraren, zeven onderzoekers en voorzitter Philip Brinckman, een schooldirecteur die opiniestukken over onderwijs publiceert. Geen bestuurlijke bobo’s en onderwijsadviseurs – ook al bijzonder. Samen stelden zij vast wat wel en wat niet werkt in de klas, op basis van wetenschappelijk onderzoek en praktijkervaring. Simpeler kan het niet.

Wij in Nederland doen dat anders. Bij ons zijn sinds 2017 vele deskundigen druk met het ontwerpen van een nieuw curriculum (eerst curriculum.nu en nu een wetenschappelijke commissie), een geld- en energieslurpend project dat onafzienbare stapels tekst produceert maar géén oplossing biedt voor de twee nijpendste problemen: de gestage neergang in leerprestaties en de kansenongelijkheid.

Laten we eens afkijken bij de buren. De commissie-Brinckman doet 58 aanbevelingen, stuk voor stuk zinnig. Uitgangspunt is dat basiskennis en -vaardigheden aanleren weer de kerntaak van de leraar wordt. De commissie pleit voor betere instructie bij rekenen en lezen – geen zelfsturend leren of werken in groepjes – en meer aandacht voor literatuur. De leerplichtige leeftijd zou van 5 naar 3 jaar moeten.

Het oplossen van allerlei maatschappelijke problemen is niet het werk van de leraar, evenmin als opvoeden. Wel zouden ouders de leraar meer mogen vertrouwen en diens oordeel en gezag aanvaarden. Nu staan veel ouders, zoals Brinckman het poëtisch uitdrukt, ‘in het schilderij van het kind’, wat niet altijd goed is voor dat kind. De commissie waarschuwt voor de ‘therapeutisering’ van leerproblemen met diagnoses als adhd en dyslexie.

Over kansenongelijkheid gaat het ook. Leraren moeten hoge verwachtingen hebben van kansarme leerlingen, vindt de commissie, én hun het voordeel van de twijfel gunnen. Er mag meer waardering komen voor het beroepsonderwijs. Het beroep van leraar kan ook stukken aantrekkelijker. Daartoe moet het niveau van de lerarenopleidingen niet omlaag maar omhoog: een bindende toelatingstoets zal matige studenten weren. Er komen ‘expertleraren’ die nieuwe leraren begeleiden en wetenschappelijke inzichten de school in brengen. Een onafhankelijk kenniscentrum voorkomt dat wetenschappelijk onbewezen vernieuwingen de scholen teisteren.

Fonkelnieuw zijn deze aanbevelingen niet. Ze lijken erg op die van onze commissie-Dijsselbloem uit 2008, op die van de commissie-Rinnooy Kan uit 2007 en op herhaalde waarschuwingen van de Onderwijsinspectie. Alleen: bij ons kunnen scholen zulke adviezen blind negeren. Onze onderwijsministers gehoorzamen gedwee één belangengroep, de werkgevers in de PO- en VO-raad, die geen belang hebben bij aangescherpte eisen en een verbod op onzinnige vernieuwingen. Als dat nou toch eens verandert in het nieuwe kabinet.

Meer over