opinie180 graden

L.H. Wiener: ‘Geen mooier graf dan een graf op zee’

Schrijver L.H. Wiener (75) kreeg een andere verhouding met de zee.

L.H. Wiener: ‘Ik begeef me op zee om haar te tonen dat ik haar macht niet willoos zal ondergaan.’Beeld Ivo van der Bent

Oude standpunt

‘De zee is een sluimerende vijand, een bedreiging die je zomaar ineens kan pakken en laten verdrinken. Dat ik de zee zo zag, kwam door een ongeluk op mijn 13de waarbij ik bijna verdronk. We waren met z’n vieren in een Flying Junior op zee, een zeilbootje dat eigenlijk te klein is voor vier jongens. Het was heel stil weer, dat was juist het enge. Er was een lichte deining. Maar op ongeveer 300 meter uit de kust, bij de derde bank, kwam er opeens een rug water, heel langzaam, die het bootje omduwde. De mast brak door de bodem, waardoor het bootje volliep met water. 

‘Bij de vergeefse pogingen het weer recht te trekken raakte mijn knie verstrikt in een van de schoten, de lijnen waarmee je het zeil bedient. Deze ging als een lus om mijn knieholte. Als kleine jongen lukte het me niet om die lus van mijn been te schuiven, ik zwaaide om hulp met mijn hand net boven water. Een van de jongens greep mijn hand vast en probeerde me omhoog te trekken, waardoor de lus nog strakker om mijn knie sneed. Toen begon het stikken en ging langzaam het licht uit. Mijn lichaam verslapte, maar waarschijnlijk daardoor kon ik weer boven water worden getrokken. Dat is een zeer traumatische ervaring geweest en vanaf dat moment meed ik de zee, en water in het algemeen, als een vijand.’

Het kantelpunt

‘Toen ik 35 was, kocht ik een stalen zeiljacht van 8 meter. Ik voelde aandrang om het water weer op te zoeken. Ik herken hierin een freudiaans mechanisme. Als een meisje in haar jeugd wordt verkracht, met alle ellende en angsten van dien, dan is het goed mogelijk dat zij later als vrouw het gezelschap van mannen gaat zoeken, bijvoorbeeld in de prostitutie. Het is een gelaagd beeld, maar ik ben ervan overtuigd dat het zo werkt. Als een onderbewust wraakpatroon. In mijn geval heeft hetzelfde mechanisme plaatsgevonden, maar dan toegespitst op andere elementen. De terugkeer naar de zee die mij ooit wilde hebben en haar dan tarten met mijn zeilreizen. Dat is het patroon. Je tart in feite de dood.

‘Lang zeilde ik alleen op de randmeren, Friesland en het IJsselmeer. Pas in 2008 heb ik voor het eerst de zee weer opgezocht, ik was toen 63. Ik kocht een zeewaardig schip, de Argos, een Koopmans, die ik nog steeds heb. En vanaf dat moment zeil ik samen met mijn vriendin Ant op zee.’

Nieuwe standpunt

‘Ik voel geen liefde of haat jegens de zee maar wel ontzag. Ik word op een ingewikkelde manier door haar aangetrokken. Ik zie de zee in al haar macht als de moederschoot waaruit wij ooit zijn voortgekomen en tevens als een bedding voor de dood waarnaar wij eens zullen terugkeren.

‘Ik begeef me op zee om haar tegemoet te treden en haar te tonen dat ik haar macht niet willoos zal ondergaan, maar die als zeeman juist zal trachten naar mijn hand te zetten.

‘Ik voel me niet meer machteloos in haar buurt. Wel ben ik de hele zeiltocht gespannen en bang dat het niet goed gaat. Dat het weer omslaat, dat we een container raken en ga zo maar door. Je zou denken: waarom doe je het dan in godsnaam? Maar als we de haven hebben bereikt, de reis is afgerond en ik terugkijk, dan verzucht ik: ‘Wat was het toch een prachtige overtocht.’ Ik geniet pas achteraf van zo’n trip. En dan gaat er een fles wijn in, dat snap je natuurlijk wel.

‘Een graf op zee vind ik het mooiste graf. De zee neemt je tot zich. Lost je op in elementen waaruit weer nieuw leven kan ontstaan en zo is de cirkel rond. Ik wil in zee mijn einde vinden. Zo van: je had me bijna, even wachten nog, dan kom ik naar je terug, maar wel op mijn voorwaarden. Dat is de kern van mijn zeilerschap.’

Het effect

‘Vorig jaar hebben we een zeiltocht van negen weken langs de Engelse kust gemaakt. Dat had ik nooit eerder gedurfd. Die reis heb ik beschreven in mijn recente boek Zeeangst. Het is een nautisch logboek. Op autobiografische literatuur wordt soms neergekeken, omdat het niet genoeg verbeelding van de lezer zou eisen, maar dat is absolute lulkoek.

‘In Zeeangst beschrijf ik een visioen waarbij ik, onder invloed van whisky, stukken gereedschap in de zakken van mijn zeiljack stop, mijn marifoon pak, meld dat er een stuurloos zeiljacht op zee drijft en dan overboord stap. Het verwijst naar Virginia Woolf, die haar mantel verzwaarde met stenen en toen de rivier de Ouse in is gelopen om zich te verdrinken. Voor mij is dat zowel een angstbeeld als een verlokking. Maar of ik dat ooit zal durven, me zo overgeven aan de zee? Ik ben benieuwd.’

Meer over