EssayOverconsumptie

Kunnen we niet gewoon thuisblijven? Een essay over oikofobie en inheems worden

Nu de coronawaas optrekt, ligt de verleiding van massatoerisme en overconsumptie weer op de loer. Emy Koopman pleit voor een ‘inheemse’ visie op onze omgeving. Door te leven alsof de toekomst van die plek ertoe doet en hem te behandelen als een thuis.

null Beeld Pep Boatella
Beeld Pep Boatella

Alle ellende in de wereld wordt veroorzaakt doordat mensen niet rustig in hun huiskamer kunnen blijven zitten, zei de Franse filosoof Blaise Pascal in de 17de eeuw. Nu het vaccineren vaart maakt, nu ‘blijf thuis’ niet langer het dringende coronagebod is, voelt die uitspraak relevanter dan ooit. Nu alle mogelijkheden voor massatoerisme en overconsumptie weer openliggen en vliegmaatschappijen alweer adverteren met tientjesdeals in de bushokjes, lijken we af te stevenen op een pre-coroniaanse CO2-uitstoot, met bijbehorende destructie. Kunnen we niet gewoon thuisblijven?

Al vanaf de eerste lockdown, ongepast vroeg, beweerden mensen binnen de media en daarbuiten dat we door corona zouden leren om het nabije meer te waarderen. Een twijfelachtige bewering. Ja, mensen zijn meer door de natuur gaan wandelen, en ja, ze hebben meer boodschappen gedaan voor buurtgenoten. Maar hoeveel ruimte is er om te ‘leren’, als je hoofd overloopt met zaken als thuisonderwijs, financiële krapte, angst om ziek te worden, de zorg voor een zieke, zelf ziek zijn, een instortende onderneming, overspannenheid door een essentieel beroep of juist een existentiële crisis doordat je beroep niet essentieel blijkt? Als je van de buren die je nog tegenkomt steeds anderhalve meter afstand moet houden, als je zelfs je familie en vrienden niet langer risicoloos kan knuffelen? En als je niet zelf hebt gekozen voor al dat nabije, maar daar van hogerhand toe bent veroordeeld? Het is mogelijk, diepe inzichten opdoen tijdens een huisarrest. De ideale voorwaarde daarvoor is het echter niet, eerder de ideale voorwaarde voor een drang tot uitbreken.

Een onbehagen bij het eigene

Die drang ken ik ook, die drang voel ik ook. Om nieuwe ervaringen op te doen, met bekenden en onbekenden (een terras, een bioscoop, misschien zelfs een festival – tot zover nog weinig aan de hand), maar ook: het verlangen naar de verte, het verre, het vreemde, de wijde wereld. Fernweh, wanderlust – met een Duitse, romantische term erbij klinkt het gelijk als iets diepzinnigs, iets beschaafds. Dat was het ook, volgens de Britse dichter Robert Southey (1774-1843): typisch iets voor beschaafde mensen, mensen met een positie van een zekere luxe. Hij bezag de reisdrang van welgestelde mensen, inclusief hemzelf, en gebruikte daarvoor de term oiko-phobia: angst voor het thuis. Heel erg leek hij die angst niet te vinden. ‘De liefde voor beweging is zo natuurlijk voor een Engelsman’, schreef hij, ‘dat niets hem aan het huis kan kluisteren, tenzij het vertrek hem absoluut onmogelijk wordt gemaakt.’ Aangezien het vertrekken me niet onmogelijk wordt gemaakt, vervolgde hij, geef ik toe aan mijn oiko-phobia.

Oikofobie: we kennen het nu als een besmette term, een scheldwoord waarmee radicaal rechts iedereen bespot die denkt dat mensen uit verschillende culturen kunnen samenleven. Maar het is te gemakkelijk om het hele concept dan maar af te wijzen. Het idee van onbehagen bij het eigene, bij het thuis, de drang om je daarvan af te keren, ver weg te gaan, verdient wel degelijk serieuze aandacht. Omdat we door die drang wellicht eerder geneigd zullen zijn in vervuilende vervoersmiddelen te stappen. Omdat die drang deel is gaan uitmaken van een denkwijze waarbij de wereld onze oester is, elke dag, de hele dag omhooggehouden om helemaal leeg te slurpen. En ja, ook omdat je door al die aandacht voor het verre het risico loopt het nabije te negeren, het niet genoeg te waarderen, je er niet verbonden mee te voelen.

Een van mijn vrienden is voor mij de belichaming van liefdevolle aandacht voor het nabije. Deze man, die lijkt op een boomlange Rintje Ritsma, inclusief schaatspassie, doet dingen die we algemeen waarderen als betrokken burgerschap. Hij begeleidt een jongen die lang onder de hoede van Jeugdzorg was, onderhoudt vrijwillig de tuin van een verzorgingstehuis en is een trouw fan van een lokale voetbalclub die almaar verliest.

Maar zijn betrokkenheid bij de omgeving strekt zich verder uit, tot aan heel klein leven, waar de meesten van ons gedachtenloos aan voorbijlopen. Zijn belangrijkste hobby is het speuren naar planten en insecten in eigen land, het liefst in eigen stad. Soms loop ik met hem mee, voor de gezelligheid, met meer of minder geduld wachtend terwijl hij midden op straat neerknielt om te zien of een – in het oog van de leek – onopmerkelijk plantje een zeldzame soort is en welke wants er nou precies op zit.

Doorgedraaid kapitalisme

Zijn planten- en insectenkennis zag ik tot voor kort als iets excentrieks. Pas sinds een paar weken ben ik de rijkdom ervan gaan inzien, gaan voelen. Dat komt door een blik van ver op het thuis: een boek dat ik afgelopen maand begon te lezen, rond de tijd van de eerste versoepelingen, met een leesclub die altijd op zoek is naar alternatieven voor het huidige, doorgedraaide kapitalisme.

In Braiding Sweetgrass, oorspronkelijk verschenen in 2013, opnieuw uitgebracht in 2020, vertelt de inheems-Amerikaanse bioloog Robin Wall Kimmerer verhalen over de planten in haar omgeving. Van esdoorn tot toverhazelaar en van waterlelie tot wilde aardbei, ze beziet ze met een tedere blik die westerse wetenschap en inheemse wijsheid met elkaar verbindt. Zo weet ze alles wat er te weten valt over wat er technisch gebeurt in de boom die de pecannoot voortbrengt, welke recente verklaringen er zijn dat die alleen collectief floreert. Maar, zegt ze, de westerse wetenschap was lang blind voor wat onze ouderlingen – met hun kennis die niet alleen verstandelijk is, maar ook lichamelijk, emotioneel en spiritueel – allang wisten: dat bomen met elkaar spreken, via de wind (met feromonen) en via hun wortels (met schimmels).

null Beeld Pep Boatella
Beeld Pep Boatella

Gedurende het boek verkast Kimmerer van de ene plek naar de andere. Maar haar oog voor haar directe omgeving blijft ze houden, dankzij de diep verankerde lessen van haar inheemse voorouders. Ze is niet gierig op die lessen, ze wil ze delen. Inheems, benadrukt zij, dat kun je worden. Het maakt niet uit waar je vandaan komt, hoezeer je bent ontworteld, we zijn allemaal vanuit het duister op deze wereld beland. Waar je je ook bevindt, je kunt een band opbouwen met die plek door die te leren kennen. Door je erom te bekommeren, en door te leven alsof de toekomst van die plek ertoe doet. Door hem te behandelen als een thuis.

Een thuis heeft zorg nodig om een thuis te blijven. Hoe meer liefdevolle aandacht je aan de eigen omgeving schenkt, hoe mooier die doorgaans wordt, en hoe mooier die wordt, hoe meer tijd je er wilt doorbrengen. (Dat u het even weet: ik stofzuig zo’n één keer per maand en ik voel schroom bij het begroeten van buurtgenoten – ik zeg dit vooral ook tegen mezelf).

De individuele consument

Leuk en aardig, zult u denken, maar liefde voor de eigen omgeving kan alsnog prima samengaan met een scala aan vervuilend consumptiegedrag waarmee de leefbaarheid van die omgeving in het gedrang komt. Dat is ook zo, we zijn er heel goed in om het onbehagen dat we voelen bij schadelijke consumptie – als we dat al voelen – weer weg te wuiven. Omdat die schade niet voortdurend voor onze neus zichtbaar is bij alle keuzes die we voortdurend maken, in de supermarkt, met online winkelen, reizen of bankieren. Omdat het doodvermoeiend is om altijd maar ‘bewust’ te consumeren, en bovendien zo goed als onmogelijk. Omdat we weten dat we het als individuele consument niet gaan redden, dat daar wettelijke beperkingen voor nodig zijn, politici met moed en invloed, advocaten en activisten en aandeelhouders die het opnemen tegen bedrijven zoals Shell. Omdat het hele systeem – dat ons al zeker vijf decennia voorhoudt dat alles kan, alles mag, alles erom smeekt om door ons persoonlijk te worden geconsumeerd – omver moet. Maar dat systeem kan niet omver, niet zonder autoritair te worden, als het denken niet meebeweegt. Als wat we van waarde vinden niet verandert.

Al is liefde voor het thuis niet genoeg om er ook goed voor te zorgen, het is wel een onderdeel. Het thuis, dan wel, zoals in de inheemse visie. Niet het kleingeestige thuis dat zich beperkt tot de grenzen van dat 19de-eeuwse construct ‘natiestaat’. (En al helemaal niet het thuis van sommige nationalisten, die zo selectief zijn in hun zorg dat ze gerust het eigen grondgebied willen leegpompen totdat de aarde ervan begint te schudden).

Het prefix ‘eco’, herinnert Kimmerer de lezer, komt ook van het Griekse oikos. Ecologie ís oikologie. Thuis is de plek waar je vandaan komt, waar je woont én het is het hele ecosysteem dat jouw leven en dat van jouw soortgenoten mogelijk maakt. Thuis is zowel nabij als ver weg, omdat alles is verbonden. Van micro-organisme tot vleermuis, van mens tot oceaan. Thuis kan niet bestaan, niet floreren, zonder die relaties.

Het inheemse verhaal

Hoe kun je dan voor dat thuis en die relaties zorgen? De inheemse visie biedt een reeks aan richtlijnen, de principes van de Eerzame Oogst (Honorable Harvest): neem alleen wat je nodig hebt, neem het op een manier die zo min mogelijk schade aanricht. Gebruik het goed, met respect, wees dankbaar voor het geschenk. Deel wat je kunt delen en geef terug wat je terug kunt geven. De aarde is vrijgevig, benadrukt Kimmerer, zolang we zorgen voor al het leven dat ons voedt.

Riekten al deze inheemse wijsheden eerder wellicht nog te veel naar jarenzeventigromantiek (nobele wilden!), inmiddels klinken ze opvallend realistisch, als waarschuwingen die niet zijn opgevolgd. Nu de coronawaas wegtrekt, nu er weer ruimte komt in onze hoofden, is er een kans dat dat gaat doordringen. Mits we onszelf – onze verlangens, ons gedrag en de consequenties daarvan – onder ogen kunnen zien.

Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Pascals opmerking over de huiskamer ging precies over het feit dat we daar zo slecht in zijn. Het problematische, volgens hem, was niet zozeer dat we niet in onze kamers kunnen blijven zitten, maar dat we niet rustig met onszelf alleen kunnen zijn omdat we bang zijn voor wat we dan tegenkomen. Als reflectie betekent dat we vastgeroeste gewoonten en waarden moeten gaan veranderen, is het logisch dat we liever afleiding zoeken in vluchtig plezier, ver weg of nabij (Pascal zelf ging regelmatig gokken).

Ik heb mezelf huisarrest gegeven, relatief huisarrest: mijn vakantie breng ik door in eigen land, grotendeels in mijn moeders tuin. Om een thuis te leren kennen voordat het wordt overgedragen aan nieuwe eigenaars. Om te kijken hoe de wilde aardbeien daar groeien, hoe pimpelmeesjes hun kuikens voeren. Om na te denken over wat ik heb gedaan (inclusief berekening van mijn ecologische voetafdruk) en wat ik anders kan doen. Om te proberen dankbaarheid te betonen. Met huiver over de toekomst, maar vooral ook met hoop. De hoop dat de mensheid geen sprinkhanenplaag hoeft te zijn. De hoop dat het inheemse verhaal – zo lang weggedrukt ten behoeve van de Amerikaanse droom – ons richting kan geven. Als het inheemse verhaal nu eindelijk tastbare invloed gaat uitoefenen op de westerse wereld, dan zou dat een kleine, late vorm van rechtvaardigheid zijn. Het zou ons thuis mooier maken. En misschien, kan het zelfs de redding betekenen, van andere soorten en van de onze.

Emy Koopman (1985) is schrijver, onderzoeker en journalist. Zij presenteerde de VPRO-serie Paradijs Canada, waarvoor zij ook inheemse gemeenschappen bezocht. Haar tweede roman, Het boek van alle angsten, beschrijft een samenleving na een klimaatramp.