Essay

Koester niet alleen de biodiversiteit van de volkstuin, maar ook de mensendiversiteit

In grote steden bestaan nog maar weinig plekken waar mensen met verschillende achtergronden samenkomen, samenwerken en samenleven. De volkstuin is wel zo’n plek.

Anouk Kootstra
null Beeld Esther Aarts
Beeld Esther Aarts

‘Als je je ogen dicht doet, is het net alsof je op het strand zit.’ De buurman steekt zijn vinger in de lucht als teken dat ik stil moet zijn. ‘Hoor je?’ Tuinpark Ons Lustoord ligt in Duivendrecht, direct aan de oostkant van de A2. Wanneer er een westenwind staat, hoor je het zachte geraas van voorbijrijdende auto’s overal op het park. Vooral wanneer het geregend heeft, want op een nat wegdek maken autobanden meer geluid. Verrek, denk ik: het klinkt inderdaad net als de zee.

Op het eerste gezicht laat de heersende gemoedstoestand op het tuinpark zich het beste omschrijven als ‘goedgemutst’: iedereen lijkt er altijd zin in te hebben hier. Regent het? Geen probleem, goed voor de plantjes. Op zaterdagavond een stinkende barbecue, harde muziek, en lawaaiige mensen? Gezellig, een beetje reuring. De aankondiging van een nieuwe lockdown? Op het park merk je daar toch niets van. En wanneer de zon dan eindelijk doorbreekt, zie je echt alleen tevreden blikken. Wie wil er nog op vakantie als je de bezitter van een tuinhuis bent?

Maar onder dat vrolijke oppervlak sluimert ook onvrede. Tijdens de werkbeurten, als bewoners gezamenlijk de algemene ruimte op het park onderhouden en samen onkruid wieden op zaterdagochtend, duurt het vaak niet lang voordat iemand het te berde brengt. Het is hier niet meer zoals vroeger, de sfeer is anders, de saamhorigheid is weg. Wat is er aan de hand op het tuinpark?

Openstaande tuinhekjes

Deels lijkt het een verlangen naar de tijd van touwtjes uit de brievenbus, in dit geval de tijd van de openstaande tuinhekjes. Veel hedendaagse tuinders schermen hun perceel af met een rij hoge, wintergroene struiken, waardoor sommige huisjes vanaf het pad nog nauwelijks zichtbaar zijn. Vroeger had je dat niet, vertelt een van de ‘oude’ bewoners: bomen waren not done, en de tuinen hadden alleen een laag buxushaagje langs het pad. Daardoor knoopte iedereen gemakkelijk praatjes aan met iedereen.

Vergeet ook niet, gaat ze verder, vroeger werkten de vrouwen niet. Die waren dan het hele seizoen, van april tot oktober, op het park. Kinderen kwamen na school aanwaaien, mannen haakten na werktijd aan. Nu werkt iedereen, ook de vrouwen, dus alleen in het weekend is het nog echt druk op het park. ‘Het is nu net een kerkhof’, zegt ze. ‘Maar wel het mooiste van Amsterdam.’

null Beeld Esther Aarts
Beeld Esther Aarts

Ik herken het sentiment van mijn eerste horecabaantje: de vermeende gebrekkige mentaliteit van de nieuwe garde. In de ogen van de oude garde was iedere nieuwe lichting collega’s een teleurstelling: ze waren lui en werkschuw, en vooral erg ánders dan hoe wij waren toen we net begonnen. Dat gevoel bleef bestaan tot zich weer een nieuwe lichting aandiende. Dan hoorden de oude ‘nieuwen’ er plotseling bij, en waren het vooral de nieuwe nieuwen die het probleem waren. Precies dat zie je op het park ook. De nieuwen, daar gaat het mis: ze zijn er nooit, ze onderhouden hun tuin niet en ze komen nooit eens een biertje drinken in het clubhuis.

Botsende normen

Maar het is te simpel om alleen naar zulke algemene sentimenten te wijzen. Veel meer dan dat gaat het om de botsende normen van verschillende sociale groepen. De verandering die de grote steden doormaken, voltrekt zich ook, in slow motion, op het tuinpark. In Utrecht en Amsterdam is nu meer dan de helft van de bevolking hoogopgeleid, tegenover 30 procent landelijk. Tegelijkertijd, met een gemiddelde huizenprijs van een half miljoen, kan slechts een enkeling zich daar nog een huis met tuin veroorloven. Stadsbewoners die dat niet kunnen, gaan dus op zoek naar alternatieve buitenruimte. Dat zie je terug op het park. Het komt allemaal door de yuppen, hoor je steeds.

Met twee zomers in de vingers blijkt een tuin een oefening in nederigheid en een tastbaar tegenwicht aan het maakbaarheidsgeloof. Ons gazon veranderde in een knollenveld met molshopen, paardenbloemen en distels. De winde slingerde zich door de sering en knelde de takken af. Konijnen aten de knoppen van de rozenstruiken en de stelen van de gladiolen – je zag de rafelrandjes nog zitten. Er kwam maar één vrucht aan de perenboom, en zelfs die haalde de oogsttijd niet.

Elke tuin op het park reflecteert de smaak en wensen van de eigenaar. Je ziet verzorgde tuinen, overwoekerde tuinen, rommelige tuinen, strakke tegeltuinen, eeuwig in verbouwing zijnde tuinen; tuinen met boeddhabeelden, hondenhokken, omgevallen tuinsets, trampolines, romantische bankjes, boomhutten, vijvers, tuinkabouters, ornamenten, schommels en home is where the heart is-bordjes.

Vooral in de grote steden zijn er nog maar weinig plekken waar mensen met verschillende achtergronden en uit verschillende klassen samenkomen, samenwerken en samenleven. Het tuinpark is een van die zeldzame plaatsen. In de supermarkt, school, sportclub en horeca kom je vooral mensen tegen die op je lijken, alleen al doordat de wijken zo gesegregeerd zijn. Maar hier woont iedereen door elkaar.

Bestrijdingsmiddelen

‘Dit is een vólkstuin, voor vólkse mensen’, zegt een tuinder die als klein jongetje al op het park kwam. Zelf geboren in een gezin van ‘gewone’ mensen, begrijp ik precies wat hij bedoelt. Het gaat niet alleen om inkomen. Veel van die ‘volkse’ mensen zitten er met een afgeloste hypotheek en goed pensioen waarschijnlijk warmer bij dan ik. Het heeft meer met opleiding te maken, en met alles wat daarmee samenhangt: hoe je praat, loopt, eet, beweegt, hoe je je tuin inricht en welke bestrijdingsmiddelen je daarvoor gebruikt. ‘Ken je Dasty?’ vraagt hij. ‘Vroeger had je Roundup, maar dat mag niet meer. Nou, Dasty is twee keer zo erg. Nooit meer last van onkruid.’ Ik knik braaf.

Een klassenmaatschappij wordt bepaald door wie het woord neemt, wiens normen heersend zijn, wie recht van spreken heeft. Het tuinpark is één van de weinige plekken waar hoogopgeleiden niet de regels bepalen. Op een andere plek waren we nooit in gesprek geraakt, had hij niet de ruimte genomen om advies te geven, of had ik geantwoord ‘dat wij dat eigenlijk niet zo doen’. Nu hield ik mijn mond: het park is meer zijn plek dan de mijne, hij komt hier al tientallen jaren en ik nog maar twee. Hij heeft een prachtige tuin, ik ben nog lerende. Bovendien, wie ben ik om iets te vinden van de manier waarop hij zijn onkruid weert?

Eenrichtingsverkeer

Het is de bekende paradox van gentrificatie: nieuwkomers trekken ergens naartoe omdat het er anders is – creatief, ruw, volks – maar met hun massale aanwezigheid gaat juist dat wat aanvankelijk zo aantrekkelijk was verloren. Het probleem is niet eens de verandering op zich, denk ik, maar vooral dat het eenrichtingsverkeer is. Rijke mensen nemen buurten over van arme mensen, zij trekken verder de stad uit. Witte mensen komen in een multiculturele buurt wonen, de oorspronkelijke bewoners maken plaats.

Als er sprake zou zijn van vermenging, alle kanten op, dan zou het voor iedereen wennen zijn. Iedereen zou zich af en toe moeten schikken. Soms bepaal je de norm, soms heb je slechts te volgen. Soms praat je, soms luister je. Soms win je ruimte, soms verlies je die. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Het is niet zo dat er weer groepen arme mensen in de Jordaan komen wonen, of dat Lombok – Utrechts multiculturele wijk vlakbij het station – nog veel nieuwe migranten aantrekt. Met iedere sociale huurwoning die in de verkoop gaat, verdwijnt er iets van het oude en komt er meer van het nieuwe.

Steeds weer zijn het de minder geprivilegieerden die opschuiven en plaatsmaken, zowel fysiek als symbolisch. En dit is, denk ik, één van de oorzaken van sluimerend onbehagen, in de vorm van boosheid, protest of apathie. Op steeds meer plekken is het een specifieke groep, in de minderheid, maar dominant, die de norm stelt en de regels bepaalt.

Het is subtiel en vaak niet direct zichtbaar of meetbaar. Het gaat om wiens smaak en voorkeuren geroemd of bespot worden. Het gaat om representatie: slechts enkele van de honderdvijftig Kamerleden zijn níet hoogopgeleid en op tv zie je steeds dezelfde randstedelijke gezichten, hoor je dezelfde welbespraakte accenten. En het gaat om welke beroepen we met status, geld, macht en mogelijkheden overladen en de manier waarop we ongelijkheid daarin legitimeren door te wijzen naar ‘gelijke kansen’, ‘talent’ en ‘hard werken’.

null Beeld Esther Aarts
Beeld Esther Aarts

Terug op het tuinpark worstel ik met mijn eigen rol en aanwezigheid. Wat breng ik en wat ontneem ik? En bij wie hoor ik eigenlijk? In de oude bewoners herken ik de wereld waarin ik opgroeide, die van mijn ouders, ooms, tantes, opa’s en oma’s. Maar zij lijken mij niet te herkennen. Tijdens de gezamenlijke werkbeurten vormen groepjes zich vanzelf, en zo stond ik plotseling onkruid te wieden met twee andere hoogopgeleide dertigers. Natuurlijk, dacht ik, ik zie er ook zo uit.

En dan de lastigste vraag: is het ook mijn aanwezigheid die bijdraagt aan die sluimerende onvrede? En wat kan ik daar dan tegen doen? Voor nu vertrouw ik op bescheidenheid. Ik maak praatjes, ik vraag en luister veel. Een overwoekerd pad vol onkruid is een collectieve bron van ergernis, begreep ik, dus het stukje dat onder mijn verantwoordelijkheid valt ziet er piekfijn uit. Ik overweeg zelfs om de rij hoge struiken langs het pad eens flink te snoeien – jammer voor de privacy, maar je moet nu eenmaal prioriteiten stellen en praatjes zijn ook wat waard.

Lees je in, leef je in

Natuurlijk veranderen de parken mee met de steden waar ze bij horen, en dat geeft ook niet. Ik wens alleen dat het geleidelijk gaat, en dat het geen eenrichtingsverkeer is. Dus, kinderen en kleinkinderen van de oude bewoners: vat de tuindersgeest en pak de handschoen op. Nieuwe bewoners: de parken waren er al lang voordat jij er was, dus lees je in, leef je in, en pas je aan. Luister naar de mensen die er hun wortels hebben – en hun bieten en knollen.

In de strijd om de schaarse ruimte rond de grote steden staan ook de tuinparken onder druk. Ter verdediging van de parken gaat het dan steevast over ‘de groene oase aan de rand van de stad’, over de beestjes, bijtjes, vogels, egels, over het belang van biodiversiteit. Allemaal waar natuurlijk, maar mij gaat het vooral om al die verschillende mensen die met elkaar iets moeten ondernemen en onderhouden. Rond de gesegregeerde steden vervullen de parken een unieke maatschappelijke functie: ze brengen mensen samen die elkaar anders niet meer zouden tegenkomen. Het piept en het kraakt, soms. Maar juist dat, het samen bepalen van regels en normen, het praten en het luisteren, dat is het werkelijke belang van deze plekken.

Anouk Kootstra (34) werkt als onderzoeksjournalist voor platform Investico en doceert sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Vorig jaar won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met Een jas die past, een essay over klasse en sociale mobiliteit.